vrijdag 23 februari 2018

Hendricus Bernardus Schreiber (1910-1986) als autodidact in filosofie en in de betekenis van Immanuel Kant (1974)

Henk Schreiber (H.B.S.) memoreer ik van de vrijdenkers in 1974, een man van klein postuur, denk ik 1.65-1.70m, kalig, ernstig kijkend, geknepen en hoge schorre stem, van eenvoudige komaf zonder gestudeerde familie, zelf wat chef geweest bij de Waterleiding te Amsterdam, aardig wonend in twee flats te Amstelveen, jaloers op zijn oudste zoon die creatief kon dichten, zot gedrag vertoonde in 'n café, voortdurend sprekend over filosofie met name Kant, soms subiet namen noemend niet meer dan Staal en Whitehead, dat we dachten waar heeft hij het over, die tien jaar wegens depressie in therapie geweest is na een mislukte zelfmoord ("Ik wilde uitstappen"), waarschijnlijk levend van WAO, herinneringen voor de psychiatrie opschreef en mij leerde kennen, correspondeerde driekwart jaar in 1974, om wat op gang te komen en mij dus mooi gebruikt heeft om mij ten slotte voor "partieel krankzinnig" te verklaren. Nadien heb ik hem niet meer gezien noch geschreven.
Maar de mij vooraanstaande mening was dat hij goed kon overschrijven, wat depreciërend gelde... Toch ben ik thans van mening dat hij in filosofie uiterst zorgvuldig heeft gehandeld en daarom heb ik als correctie dit weblog als eerbetoon voor Henk Schreiber opgesteld.

Schreiber huwde op zijn 35e met een ruim twintig jaar jongere vrouw en genoot een huwelijk van 33 jaar, waarna hij zeven jaar weduwnaar was. Hij kreeg drie kinderen (2j, 1m).

Mijn opzet
Teneinde een degelijke inleiding te verschaffen publiceer ik integralerwijs en niet verbeterd zijn uitgetypte rede, uitgesproken ter gelegenheid van de 250e gedenkdag van Kants geboorte voor de afdeling Haarlem & Omstreken van De Vrije Gedachte, de vereniging tot bevordering van zelfstandig denken, op zondagochtend 21 april 1974 in het REINALDA-HUIS te Haarlem.



De Betekenis van Immanuel Kant
 


3

De wijsgeer Immanuel Kant zag op 22 april 1724 het levenslicht zodat wij dit jaar de 250-ste gedenkdag van die geboorte kunnen vieren.
In 1924 kwamen in Königsberg geleerden van grote naam uit alle landen bijeen om zijn arbeid te gedenken en een grafkapel in te wijden die in strenge eenvoud boven zijn laatste rustplaats is gebouwd.
Koningsbergen is in 1945 door de Duitsers vertwijfeld verdedigd en daardoor grotendeels verwoest.
Het is nu een Russische stad - Kaliningrad - en alle sporen van het vroegere Pruisische karakter zijn ver­wijderd.
Het enige Duitse monument, dat is blijven staan, is het gerestaureerde standbeeld van Kant.
Opmerkelijk, en van zijn betekenis getuigend, omdat de communistische ideologie zich tegen Kant afzet.
Die ideologie is het dialectisch materialisme en de leer van Kant wordt afgewezen als zijnde idealistisch, Marx bedoelde met dat materialisme de-afbakening van een probleemgebied, nl. de mens en zijn samenleving, maar Lenin maakte er een aan partijleden dwingend voorgeschreven leer van, geldend voor het geheel der werkelijkheid. Maar daar over straks nog meer.
Op 22 april 1924 kwamen in Amsterdam eveneens ge­leerden bijeen om Kant te gedenken.
Heymans, de man van het Psychisch monisme en de gezindheidsethiek, nam de ethiek voor zijn rekening, het vermogen van de mens om zedelijk goed van zede­lijk kwaad te kunnen onderscheiden.
Leo Polak, zijn opvolger en navolger, bracht de meta­fysica, Ovink nam kennisleer en methode voor zijn re­kening en Dr. J.D.Bierens de Haan het aesthetisch oordeel, de schoonheidsleer.
De Sopper tenslotte, belichtte de betekenis van Kant ten aanzien van de godsdienst-wijsbegeerte.
Hij kende Kant goede bedoelingen toe, maar betreurde zijn meedogenloze weerlegging van de beroemde bewij­zen voor het bestaan van god. Ook betreurde hij de, volgens hem, mislukte poging van Kant alsnog het re­ligieuze denken boven de subjectief—psychologische betekenis te verheffen.




4

Nu is het met de beoefening der wijsbegeerte vreemd gesteld want die brengt in aanvang meer verwarring dan inzicht en biedt gelegenheid, als men zich de vaktermen heeft eigen gemaakt, er maar op los te zwetsen.

Een ieder heeft zijn wensen en verlangens en daarom filosofeert men ingewikkeld en voornaam en zelfs moedig.

Grote namen zijn verbonden aan dat moedig filosofe­ren. Nu, maar ook in de tijd van Kant, en hij heeft dan ook een geschriftje het licht doen zien, dat tot titel droeg: VAN EEN ONLANGS AAP GEHEVEN VOORNAME TOON IN DE FILOSOFIE.

Hij spreekt daarin van de wijsgeren per inspiratie, die hetgeen zij bezitten ongelukkigerwijs niet onder woorden kunnen brengen en daarom ook aan anderen niet kunnen mededelen. Zij bezitten nl. een filoso­fie, waarbij men niet behoeft te arbeiden, maar waar­bij het genoeg is het orakel in zichzelf aan te horen en te genieten. En aangezien het een algemene wet is, dat degenen, die niet behoeven te arbeiden, zich veel voornamer gevoelen dan die dit wel moeten, ach­ten deze filosofen zich ook veel voornamer dan de anderen, die door harde filosofische arbeid hun waarheid verwerven moeten.

De eersten kunnen op geniale wijze - door een enkele doordringende blik op hun innerlijk - alles en meer tot stand brengen, wat anderen slechts door noeste vlijt vermogen te presteren.

Het principe om door middel van een hoger gevoel te filosoferen, is volgens Kant dan ook door de voorna­me lieden uitgevonden.

Wie kan mij mijn gevoel bestrijden?

Ik kan daarom op de toon van een gebieder spreken, die verheven is boven de moeilijkheid om de aanspra­ken op zijn bezit ook te moeten bewijzen. En gesteld, dat de Rede in het geheel niet in staat is deze ho­gere inzichten te rechtvaardigen, dan blijft het toch een feit: de filosofie heeft haar voelbare geheime­nissen. Een hoger kenvermogen meldt zich aan en dat kenvermogen noemt Kant een salto mortale naar het





5

Ondenkbare.

Dergelijke filosofen der visie ~ zo eindigt hij - die door een koene sprong zonder veel moeite opeens de hoogste top van het inzicht bereiken, verzamelen on­gemerkt een grote menigte om zich heen want dapper­heid werkt aanstekelijke

Ik heb de verleiding niet kunnen weerstaan Kant zelf even aan het woord te laten, want Leo Polak, bij de ouderen onder ons nog wel bekend, gewaagde in 1924 van de troebelheid van Kants stijl, van zijn soms on­uitstaanbaar peuterige, draaierige breedsprakigheid. Ongetwijfeld juist, maar Polak had dan ook als leer­meester en voorganger niemand minder dan Heymans, de man van het Psychisch-monisme, en als men zich ver­diept in diens geschriften, dan treft men nergens troebelheid aan, maar ervaart men, geniet men, lou­ter klaarheid en stemt men in met het slotwoord van Leo Polak, gesproken bij het aftreden van Heymans: dat de kultuur gezegend zal zijn, die zijn geest zal ademen.

Inderdaad, maar dan is het een kultuur die daar dan voor gereed is.

Hoe? op welke wijze? dat blijft onbesproken want het objectiviteitsbeginsel door Heymans ontvouwd, laat alleen maar toe dat de wereld verbeterd wordt door bij je zelf te beginnen.

Heymans bracht een filosofisch systeem, een geslo­ten samenhang van begrippen, waarin de kennende geest tot rust komt, omdat er iets volledigs en definitiefs bereikt is.

Maar zon systeem is een dwangbuis der gedachten om­dat er geen verbinding tot stand komt tussen de ide­ële wereld en de reële.

Een gesloten samenhang van begrippen, een systeem, laat prachtige, klare taal toe en het ligt voor de hand een uiteenzetting voor waar te houden omdat die prachtig verwoord is.

Maar waarheid en klaarheid gaan niet altijd hand aan hand on als men Kant peuterige en draaierige breed­sprakigheid verwijt, dan vergeet men te bedenken dat zijn optreden in de wijsbegeerte samen viel met de



6

veranderingen in maatschappelijk en ander opzicht, die op het einde der achttiende eeuw hebben plaats­gevonden en waardoor de grondslagen gelegd zijn van het tijdperk waarin wij leven.
Hij is de grondlegger van een methode, van het begrip van de voortgang der wetenschappen, van een nieuw sociaal ideaal en van een nieuwe opvatting der zedelijkheid.
Daardoor is hij ook de voltooier van drie eeuwen voor­afgaand denken zodat de gigantische taak waarvoor hij zich geplaatst zag, een zo nu en dan wat troebelheid en breedsprakigheid wel verklaarbaar doet zijn.
Van zichzelf zegt Kant:


"Het is mij niet gegeven, wat men noemt een meeslepende stijl te schrijven. Ik kan het de lezer niet gemakkelijk maken. Wil hij in mijn gezelschap voor­uitkomen, dan loopt hij telkens gevaar aan doornen en distels te blijven haken.
Hij zal moeite hebben zich mijn denkbeelden toe te eigenen, daar zij geheel nieuw zijn en in strijd met wat de overlevering leert.
Zij zullen dan ook moeite hebben door te dringen. Toch weet ik zeker, dat zij ten slotte zullen winnen, want ik weet, dat zij in hoofdzaak juist zijn,
en aan de waarheid behoort de toekomst, zodra de waarheid eens onder woorden is gebracht.”

In kort bestek is het niet mogelijk Kants kennis­leer uiteen te zetten, temeer niet, indien men be­denkt dat hij zelf tien jaar lang, van 1770-1781, op de hardnekkigste wijze heeft moeten worstelen, voor­dat bij hem het licht doorbrak, namelijk, dat er in onze kennis, in het kennisproces, elementen aanwe­zig zijn, die niet aan de ervaring ontleend zijn. Met enig voorbehoud kunnen we het zo stellen dat in onze geest fundamentele begrippen aanwezig zijn en dat met behulp van deze begrippen ons denken uit de gegevens der zintuigen/de wereld der aanschouwing opbouwt.
Die wereld der aanschouwing bestaat uit feiten, uit verschijnselen, maar daar vangen we niet bij aan, daar de methode het oorspronkelijke is en geen verschijn-


7
sel, noch een stoffelijk, noch een geestelijk, ons zonder meer gegeven is.
Het fenomeen verkrijgt steeds, eerst aan de hand van een bepaalde methode en door het aanleggen van be­paalde maatstaven het aanzijn, zodat het in Platoni­sche terminologie uit gedrukt, steeds de idee is T die het fenomeen redt.
Het idealisme van Kant heeft dan ook niets met ide­alen te maken, maar staat als idee tegenover realis­me.
De meesten van ons kennen de wijsbegeerte alleen maar als metafysica, als een systeem, als een gesloten samenhang van begrippen.
Ik noem het materialisme en het psychisch monisme als voorbeelden die ons het_meest aanspreken.
Het is aantoonbaar dat Kant de dogmatische metafy­sica heeft afgewezen.
Sommige navolgers hebben zijn leer uit gelegd als anti-metafysisch en samengevat in de stelling dat onze kennis beperkt is tot de ervaring. Dat is een posi­tivistische simplificatie, waaronder Kant's eigen­lijke bedoeling: de metafysica opnieuw te gronden, wordt verduisterd.
Dat het Kant om de metafysica te doen was, blijkt duidelijk uit de voorrede bij de eerste uitgave van de KRITIK DER REINEN VERNUNFT.
Hij zegt daar:

"De menselijke rede heeft het eigenaardige op een bepaald gebied van haar inzichten, dat ze door vragen wordt bezwaard die ze niet kan afwij­zen, immers deze worden door de aard der rede ge­steld, die ze echter ook niet kan beantwoorden want ze overstijgen alle vermogen der menselijke rede... Het slagveld van deze eindeloze twisten heet meta­fysica.”

Elders heeft hij gezegd op vrouwe metafysica verliefd te zijn maar zich niet kan beroemen op het feit ook maar enige gunst van haar te hebben ontvangen.
Wij vragen nu in hoeverre een metafysica vanuit de visie van Kant, vanuit het gezichtspunt der kenniskritiek, mogelijk is.
Onder metafysica verstaan we dan het probleem van de


8
laatste, de uiteindelijke werkelijkheid.
Nu valt de werkelijkheid in onderscheidene probleemgebieden uiteen zodat we geen wetenschap kunnen aan­wijzen die zich met het geheel bezighoudt.
Een leer omtrent de uiteindelijke werkelijkheid kan altijd slechts in de vorm van een mythe gegeven wor­den.
Het eigenaardige kenmerk van de mythe is dat, dat zij een deeltje uit het grote geheel licht om daarin de zin van het geheel te verleggen.
Zo heeft b.v. de eerste Griekse filosoof Thales het bestanddeel water aan alles ten grondslag gelegd.
Uit de substantie water wilde hij de gehele werkelijk­heid afleiden. Voor een latere Griekse wijsgeer was het vuur et oerelement waaruit hij alles af leidde.
In latere eeuwen heeft men minder naïeve mythen aangegrepen, maar toch bleven het altijd mythen.
Wanneer het materialisme de materie als het werke­lijke bij uitnemendheid poneert, dan komt dit hierop neer, dat men alleen de natuurwetenschap in staat acht ons omtrent het werkelijke bij uitnemendheid in te lichten.
Men verwaarloost dan allerlei andere aspecten der werkelijkheid het aesthetische, het zedelijke, het historische aspect der werkelijkheid.
Wanneer de Christenen de zin van alles vereenzelvi­gen met een historische of pseudo-historische fi­guur als de Christus, dan verabsoluteren zij de historie of de pseudo-historie.
Wanneer het psychisch monisme de levende materie als de uiteindelijke werkelijkheid beschouwt en dus fei­telijk alles tot "geest" herleidt, dan maakt het zich ook aan een mythe schuldig, dan verabsoluteert het de psychologie, dan wordt ook een enkel aspect der werkelijkheid als de enige werkelijkheid beschouwd.
Het Kantiaanse standpunt daartegenover is, dat al­leen het geheel van alle probleemgebieden ons een overzicht geeft over het geheel, dat wij geen recht hebben hetzij de natuurwetenschap, hetzij de psycholo­gie of de aesthetiek of de ethiek te veralgemenen en alle andere aspecten der werkelijkheid daaraan onder-


9
geschikt te maken.
De werkelijkheid is idee, d.w.z. dat op oneindige af­stand gelegen punt waarnaar alle wetenschappen stre­ven, waarin ze alle samenkomen, maar enkel langs een oneindige weg. De werkelijkheid is taak, is eis, maar is nooit gegeven.
Wij behoeven niet blind te zijn voor het ondoorgrondelijke mysterie van het bestaan.
Kant drukte het zo uit, dat de gehele wereld ten­slotte wegzinkt in de afgrond der intelligibele toe­valligheid, maar hij achtte het niet onze levenstaak ons in deze afgrondelijke diepte te laten wegzinken. Wij erkennen met Kant dat onze gehele wijsbegeerte niets waard zou zijn indien zij niet in staat is voor de rechten en de plichten der mensheid op te komen.

Toen de secretaris van uw afdeling mij telefonisch verzocht voor u als spreker te verschijnen, heb ik dadelijk ja gezegd, ondanks het feit dat ik al jaren als vrijdenker niet meer actief ben. Dat niet meer actief-zijn is een kwestie van teleurgesteld-zijn. Goethe heeft er op gewezen, dat alle tijdperken van vooruitgang een objectieve richting uit gaan, terwijl de tijden van verval en van reactie in het teken van het subjectivisme staan. Alle cultuuruitingen in een periode van decadentie dragen dit kenteken van het subjectivisme. Dat blijkt nu niet enkel uit hetgeen als wijsbegeerte wordt opgediend, maar ook uit het­geen, dat als dichtkunst, schilderkunst en toonkunst ernstig moet worden genomen.
Ik heb ja gezegd omdat ik eigen problematiek nog eens wilde overdenken en uiteenzetten,
Toen ik lid werd van De Dageraad, was Jan Hoving nog actief, Marinus. van den Brink in opkomst en Anton Constandse altijd bereid voor ons naar buiten op te treden.
Aan wijsbegeerte werd weinig gedaan. Hoving stond het Neo—vitalisme voor maar erg belangrijk vond hij die stellingname niet.
Het door de Roode Bibliotheek in het Nederlands ver­taalde en uitgegeven boek KRACHT EN STOP van Ludwig


10
Büchner was nog in omloop en INLEIDING IN DE META­FYSICA OF GRONDSLAG DER ERVARING van Heymans, vond bij ons zijn weg naar de boekenplank.
Wij waren waarheidsdenkers en dus bereid de waarheid tot middelpunt der gedachte te stellen.
Dat waarheidsdenken, dus waarheid en denken, is in Kantiaanse zin een slag in de lucht, een psycholo­gisme, maar ik kwam er mee aandragen want ik had de wijsgeer J.D.Bierens de Haan ontdekt.
Jan Hoving liet me ietwat geamuseerd mijn gang gaan want hij was een levenswijs man.
De waarheid was toen voor mij een bestaand iets en ik kon me op niemand minder dan Leo Polak beroepen, die neerschreef, dat Heymans in zijn Psychisch-monisme de dichtste benadering en de diepste doorlichting der waarheid had bereikt.
In Kantiaanse zin bestaat de waarheid echter niet maar functioneert zij, en nog steeds doet het me leed dat een groot geleerde, en dat was Leo Polak, eigen­lijk tegen beter weten in, het gesloten wijsgerige stelsel van zijn voorganger op deze wijze trachtte te redden.
Het bestaan van de waarheid is een hiërarchisch begrip_en stammend uit het_middeleeuwse denken.
Men zocht toen al naar streng noodwendige en alge­meen geldige waarheden en meende die enkel in het gebied van het bovenzinnelijke te kunnen ontdekken. Dit hiërarchische waarheidsbegrip berust op de the­orie ener hiërarchie van het zijnde. Men neemt een opklimming van het lagere naar het hogere aan en een kennis, die zich wil rechtvaardigen, moet daarom bo­ven zichzelf uitgaan en zich tot het hoogste zijn verheffen.
Dat er een kennis van het eindige en onvolmaakte be­staat, wordt volgens deze theorie slechts mogelijk door een ononderbroken overgang en afdaling van het hogere naar het lagere, van het zijn Gods naar het zijn der materie.
Aldus een hiërarchische volgorde van het absolute tot het betrekkelijke, dat nergens leemten vertoont. Op haar berust evenzeer de kosmos van het zijnde als


11
die van de kennis.
Hier draagt de kennis dus de maatstaven harer zeker­heid niet in zichzelf, doch ontleent die aan het voorwerp, waarop zij zich richt.
Naarmate zij dichter bij de lichtbron, bij het goddelij­ke oer-zijn staat, is zij des te zekerder, en naarmate zij zich van de lichtbron verwijdert, wordt zij ver­zwakt en verduisterd.
De verwezenlijking en voltooiing der kennis heet dan hierin te bestaan, dat men het eindige zijnde tot het hoogste zijn terugvoert.
Het begrip der kennis wortelt dus in primitieve sa­menhangen en in een metafysisch dualisme. De afval van het ik uit de substantiële oer-grond der dingen, en de vraag, hoe deze afval weer ongedaan gemaakt kan worden, beheerst hier de gehele probleemstel­ling. Daarom berust de kennis ook in laatste aanleg niet op de rede (de rede in Kantiaanse zin geen ver­mogen doch een beginsel), maar op de goddelijke open­baring.
Dit hiërarchische waarheidsbegrip niet alleen ge­durende de middeleeuwen, doch tot ver in de Renais­sance bewaard gebleven»
De wijsbegeerte van Thomas van Aquino en dus ook nog de wijsbegeerte van het hedendaagse rooms-katholicis­me, wordt erdoor beheerst.
Eerst met Descartes heeft een geheel ander waarheidsbegrip zijn intrede gedaan. Nu wordt de waarheid niet langer buiten haarzelve, in een bovenzinnelijk bestaan gezocht.
Niet een hoogste zijnde, doch het kennen zelf wordt thans het beslissende moment.
Onverschillig hoe het voorwerp is, waarop de kennis zich richt, wordt thans de eis gesteld dit kennen zelf klaar en redelijk te maken.
Dit is de nieuwe methode, die Descartes heeft inge­leid en die door de empiristen Locke en Hume, maar vooral door Immanuel Kant zodanig is uit gewerkt, dat zij ook op de natuurwetenschap van toepassing werd en deze van metafysische speculaties bevrijdde.
Voor de moderne wetenschap, en dus ook voor het vrije


12
denken, dat aan deze moderne wetenschap het aanzijn heeft geschonken, is de waarheid geen substantie meer, doch een functie.
De moderne wetenschap kan op geen substanties, noch materiële, noch geestelijke, meer de vinger leggen en plechtig verklaren: ziehier de werkelijkheid.
Zelfs de atomen, de trots der natuurkunde, zijn van hun substantiëel karakter beroofd en tot verhoudingen herleid. Het "zijn" der atomen wordt niet meer in aanschouwelijke modellen, maar in wiskundige formules vastgelegd, waaraan geen aanschouwing meer kan beantwoorden.
Ook wat met de benaming "geest” pleegt te worden aan­geduid, heeft nog slechts zin wanneer wij daaronder geen substantie, maar een functionele verhouding verstaan. De gewaarwording is geen op zichzelf staand "ding", maar duidt de verhouding van het or­ganisme tot zijn omgeving aan.
Zo zien we in de exacte wetenschappen het inzicht van Immanuel Kant weer duidelijk worden. De moderne wetenschap, en dat moet goed begrepen worden, is niet voortgeschreden op een pad haar door de wijsbe­geerte, door de kenniskritiek voorgeschreven. Zij is autonoom en gaat haar eigen noodzakelijke gang, maar haar structuur is zonder wijsgerig inzicht niet kenbaar.
In zekere zin en met het nodige voorbehoud kan ge­steld worden dat de Dageradianen in de dertiger jaren zich in metafysische, onbezorgdheid voortbewogen.
De bestrijding van de godsdienst stond centraal maar het inzicht ontbrak dat de voortbrengende grond der religie niet de enkeling, maar de samenleving is. Metafysisch gezien bepaalde het bewustzijn het zijnde, en het maatschappelijk vraagstuk stond dan ook in het licht van en was gegrond op morele en humanitaire overwegingen.
Dat werd anders toen, ik meen in 1946, de Kantiaan Dr J.L.Snethlage als lid toetrad. Hij verwekte al spoedig weerstand omdat hij het probleemgebied van de mens en zijn samenleving ontvouwde en dus aan de orde stelde en wel in marxistische zin.


13
Voor mij was dat geen nieuws want ik kende en waar­deerde Snethlage als Kantiaan en wat het maatschap­pelijk vraagstuk betreft had ik in ons weekblad De Vrijdenker de betekenis van Marx meermalen naar vo­ren gebracht.
Ik besefte evenwel dat onze vereniging zich in geen enkel opzicht kon vastleggen en haar leden dwingend voorschrijven wat als juist en wat als niet juist moest worden aangemerkt.          
Snethlage dacht daar ook zo over getuige zijn ge­schrift SITUATIONISME EN DIALECTISCH MATERIALISME waarin hij Lenins wijsgerige of quasi-wijsgerige in­zichten aan de kaak stalde zonder aan diens persoon of aan zijn betekenis voor de wereldgeschiedenis af­breuk te doen, maar in onze vereniging trad hij be­paald niet tactisch op en nam daardoor velen tegen zich in, o.a. Constandse, de man die onze vereniging gestalte heeft gegeven en nog geeft.
Voor mij was de betekenis van Snethlage gelegen in het feit dat hij Marx niet verstaanbaar achtte zon­der Kant.
Onder marxisme verstond of verstaat hij - want hij is, alhoewel hoogbejaard, nog in het land der levenden - geen star systeem, geen verzameling van economische, sociale of politieke dogma,s, maar een methode van denken die min of meer op Karl Marx teruggrijpt.
Het is de methode der wetenschap, welke op maat­schappelijke vraagstukken toegepast wordt, en dat Marx zich dat wel degelijk bewust was, getuigt zijn uitspraak ten aanzien van hen, die het marxisme voor een onveranderlijk systeem hielden; dat hij zelf geen marxist was.
Helaas heeft het marxisme als een onveranderlijk systeem gestalte gekregen en daarom is Snethlage te vergelijken met een roepende in de woestijn. Zijn be­tekenis is echter dat hij als kenniscriticus, als Kantiaan, de grondslagen van het marxisme blootlegt.
In zijn in 1971 verschenen historisch-filosofische studie NAAR EEN NIEUWE WERELD schrijft hij "Marx wist dat de hoogste waarde van een wetenschappelijke the­orie daarin bestaat dat zij verruimd kan worden en in


14
de verruimde theorie voortleeft, dat het de bestem­ming van elke wetenschappelijke theorie is achterhaald en ten dele weerlegd te kunnen worden. Moge Marx dan ook, zoals elke beoefenaar der wetenschap, bij tijden eenzijdig zijn geweest en een algemene regel genoemd hebben wat later slechts voor bijzondere situaties bleek te gelden, dat Marx niettemin een ge­leerde van de eerste rang was en op zijn gebied de wetenschappelijke methode aanwendde, kan slechts door diegenen geloochend worden, die niet tot oordelen bevoegd zijn...
De werkelijkheid valt in probleemgebieden uiteen en elk probleemgebied heeft haar eigen methode van on­derzoek.
Aan het einde van zijn KRITIK DER REINEN VERNUNFT stelt Kant drie vragen op, waarin alles vervat is, wat wij mensen behoren te weten:

Wat kan ik weten?
Wat moet ik doen?
Wat mag ik hopen?

De antwoorden zijn de wetenschap, de ethiek. en het geloof.

In de aankondiging van deze lezing is een uitspraak van Kant gegeven, die altijd is misverstaan. Die uit­spraak luidt

”Vrienden van het mensengeslacht en van datgene, wat hem het heiligst is ! Neemt aan wat u na zorg­vuldig en oprecht onderzoek het geloofwaardigst toeschijnt, het mogen dan feiten en redegronden zijn: ontzegt slechts aan de Rede niet datgene, wat haar tot het hoogste goed op aarde maakt, nl. het voorrecht de laatste toetssteen der waarheid te zijn…”

Wij vrijdenkers hebben de Rede altijd verstaan als een vermogen en Leo Polak is ons hierin voorgegaan.
In zijn SEXUELE ETHIEK... ethiek als autonome normwetenschap, noemt hij de rede een logisch en ethisch en aesthetisch keurvermogen, onderscheidingsvermo­gen, maar juist in Kantiaanse zin kan de laatste toetssteen der waarheid nimmer een vermogen, een


15
psychisch vermogen zijn omdat elk vermogen telkens dwaalt en dan gecorrigeerd moet worden. Bij Kant is de Rede een principe, een logisch principe, nl. het principe van eenheid, harmonie en tegenstrijdigheid.
Dat principe vinden we al hij de Griekse filosofen, want het Griekse woord voor kennis, voor wetenschap is afgeleid van een wortel, die vastheid en stabi­liteit aanduidt.
Wetenschap is volgens deze afleiding een stabiele orde.
Onze vereniging vond en vindt zijn bestaansrecht in de bestrijding van het mytische denken. Onder de au­tonomie en souvereiniteit der rede verstaan we dan ook, dat de idee der eenheid en ontegenstrijdigheid voor elk cultuurgebied geldt. Deze zuiver formele idee is de enige uiteindelijke maatstaf der waarheid en zij is allerminst in strijd met het feit, dat de inhouden van elk probleemgebied voortdurend veran­deren. Integendeel is deze verandering de noodzake­lijke voorwaarde om tot steeds diepere en meer omvat­tende eenheid te komen. Wij wijzen dan ook zowel de subjectieve intuities, als de bovennatuur1ijke openbaringen als maatstaf der waarheid af.
Dat we de Rede als  begrip zonder nadere uitleg han­teerden en ons fel keerden tegen    iedere vorm van godsgeloof, mag ons niet te zeer aangerekend worden, want de aanmatiging en ook wel laffe waan van de godgelovigen stond en staat ons maar al te zeer voor ogen. Voor ons begint het denken bij de twijfel, maar de twijfel vereist een opbouw van nieuwe theorie en ik herinner me nog zeer goed dat ik als jonge Dageradiaan louter en alleen de uitkomsten van het na­tuurwetenschappelijk denken maatgevend achtte te zijn. Voor mij was, nà KRACHT EN STOF, het Psychisch mo­nisme van Heymans een openbaring en ook zijn ethiek, zijn kennis van goed en kwaad, zijn objectiviteitsbeginsel greep me aan.
Ik was in een gesloten filosofisch systeem terecht­gekomen, maar niet voor lang omdat ik weldra met het maatschappelijk vraagstuk in aanraking kwam.


16
Karl Marx, het marxisme, met als uitgangspunt het historisch- en als samenvatting het dialectisch ma­terialisme. Uitgangspunt ook de omkering van Hegel’s grondstelling, dus niet dat het bewustzijn het zijn bepaalt, doch dat het maatschappelijk zijn der mensen hun bewustzijn bepaalt.
Volgens Heymans en Leo Polak en ontelbaar andere burgerlijke denkers berust een harmonische samen­leving op een verandering in de menselijke natuur. Marx daarentegen beweerde, ik durf te zeggen, toon­de aan, dat een harmonische samenleving noodzakelijk is en daarom afgedwongen moet worden.
Hij dacht zich een maatschappij, waarin ook zelfzuch­tige en hebzuchtige lieden gedwongen worden sociaal te handelen, omdat bepaalde wetten en bepaalde in­stellingen dit afdwingen.
Zulk een wet is bijvoorbeeld het verbod van specula­tie, of van particulier bezit der produktiemiddelen. Vandaar dan ook dat Marx zulk een maatschappij wilde grondvesten door middel van een dictatuur van het proletariaat, niet omdat de proletariërs zoveel bra­vere mensen waren dan de niet-proletariërs, maar om­dat dit de klasse was die het grootste belang bij een revolutie van de maatschappij hadden door zichzelf te bevrijden, geheel de mensheid daarin betrok.
Snethlage brengt in zijn studie NAAR EEN NIEUWE WE­RELD ook nog naar voren dat Marx, evenals het chris­tendom, kende de idee van de totale wedergeboorte van de mens. De gouden draad die door het marxisme heenloopt is die van de overgang van het mensdom uit een toestand van slavernij naar het rijk der vrijheid en de geestelijke wedergeboorte van de mens. Terwijl men vroeger, zo zegt hij, meende dat het marxisme een zuiver theoretisch systeem was, ontdaan van elke ethische norm, en zelfs sommige economen een anti-ethische tendens ontwaarden, is men daarvan thans, teruggekomen en ziet men het nu als een bij uitstek ethisch systeem, waardoor Marx dichter is komen te staan tot Kant, die ook steeds benadrukt heeft, dat de politiek geen stap verzetten kan zonder de moraal te huldigen.


17
Onze helaas jong gestorven geestverwant Dr. H.J.Pos, hoogleraar in de wijsbegeerte aan de universiteit van Amsterdam, schrijft in zijn magistraal- artikel KARL MARX:

"Met profetische grootheid, die geen conventionele égards kent, omdat achter haar alleen de roep naar gerechtigheid en geen belang staat, heeft Marx de burgerlijke moraal in haar meestal onbewuste klassebepaaldheid ontmaskerd. Dank 2ij hem weten pre­dikers en filosofen, dat de lijdelijkheid niet als deugd mag worden voorgehouden aan hen die voor hun verdrukte mensenrechten hebben op te komen, en dat een evangelie der liefde voor de onteigenden alleen zin heeft, mdien het wordt toegepast door de onteigenaars...”

En tot slot: "Kant's leer van vrijheid en eerbiedi­ging, die zuiver was, maar abstract bleef, doordat ze niet vroeg naar de reële werkelijkheid, werd door Marx op dynamische wijze met deze in verband gebracht.
In haar grondslagen verwant aan Kant en de christe­lijke moraal, wees ze, anders dan deze, een weg, die; van de individuele innerlijke wending ten goede geen kwaad spreekt, maar tussen het ”rijk Gods binnen in ons” en het "rijk Gods op aarde” kritisch onder­scheidt, uit reactie soms het eerste miskennend.
Zo liggen de wortels van deze leer buiten het econo­mische, in het profetisme van Oud-Israël, in het Christendom, in Spinoza en Hegel. Maar de bijzondere kracht ervan is juist, dat ze de ideële wereld met de reële verbindt op te voren onbekende wijze.”

Ik prijs me gelukkig nog in het bezit te zijn van de radio-rede die Leo Polak op 27 april 1932 voor de toenmalige V.R.O. heeft gehouden over NATUURWET, DENKWET, ZEDEWET.

Hij zegt daar; ”En thans, in de derde en voornaamste plaats, kern en doel van mijn betoog, de Zedewet, de grondslag der zedeleer, de bron onzer kennis van goed en kwaad.
Het materialistisch bijbelsprook je, dat het eten van een vrucht die kennisbron zou kunnen zijn, zal wel


18
niemand uwer meer voor waar houden, laat staan de onmogelijke, strijdige gedachte van de zondeval als een toerekenbaar kwaaddoen, dat aan de kennis van goed en kwaad voorafgaat.
Iets anders echter is de nog altijd heersende zedekundige gronddwaling, dat deze kennisbron, de zedewet, te vinden zou zijn in de wil, het bevel of gebod van een hogere macht, van een wetgever.
Dat dit nochtans onmogelijk is, bewijst een eenvoudige overweging, dat wij in elk geval alleen aan een goede, heilige macht en niet aan een slechte, duivelse gebieder gehoorzaamheid verschuldigd zijn.
Maar dan moeten wij reeds over de kennis van goed en kwaad beschikken om te kunnen weten, welke macht goed is, welke geboden wij dus te gehoorzamen hebben en welke niet.
Bijgevolg kan ook hier die kennis zelf van goed en kwaad niet op een gebod berusten en moet zij aan al­le te vergen gehoorzaamheid noodzakelijk voorafgaan...
Ik meen te kunnen zeggen dat Polak hier, en in te­genstelling tot zijn kennisleer, voluit Kantiaan genoemd kan worden maar ook hij vroeg niet naar de reële werkelijkheid en is blijven steken in de objectiviteits-theorie, die mogelijk zijn gewelddadige dood in de hand heeft gewerkt, want te lang is hij aan de Groningse universiteit op zijn post gebleven, misschien gedachtig aan de woorden van de wijsgeer Montaigne, nl. dat er niets kwalijks meer is in het leven voor wie heeft begrepen dat het ontberen van het leven geen kwaad is: weten te sterven verlost ons van alle onderwerping en slavernij.
Dat is een aristocratische levenshouding die wij ook terugvinden bij wijlen onze geestverwant Sam de Wolff, die, eveneens jood zijnde, weigerde onder te duiken omdat hij zich de voorman voelde van het joodse pro­letariaat, dat geen schijn van kans had zich te ont­trekken aan een lot, dat de gruwelijke werkelijkheid weergeeft van een samenleving, die alleen maar hier en daar en dan nog zo nu en dan menselijke trekken


19
vertoont.
Wat Castellio in 1562 neerschreef in zijn strijd tegen Calvijn, geldt nog steeds, nl. dat het nageslacht het niet zal kunnen begrijpen, dat wij nog eens in zulke dichte duisternissen moesten leven, nadat het reeds een keer licht geworden was.

Ik ben nu toe aan een uiteenzetting van Kant’s zedeleer, aan zijn onderscheid tussen Zijn en Behoren, aan zijn Vrijheidsbegrip, door hem ook toegepast op Recht en Staat, zijn leer van vrijheid en eerbiedi­ging, maar de tijd ontbreekt, de aandacht verslapt, en, eerlijk gezegd, er is zon hoeveelheid informa­tie, dat ik eenvoudig niet weet waar te beginnen.
Ik heb de wijsgeer Montaigne aangehaald (1533-1592) die in een eeuw van fanatisme en wreedheid, gematigd en humaan was, die in twintig jaren tijds, bedaard, bij stukjes en beetjes, slechts één uit drie delen bestaand werk van ongeveer 1500 bladzijden voltooide en dus gemiddeld slechts enkele bladzijden per week schreef, maar die een machtige invloed heeft uitge­oefend en daarom de voorloper van de Franse Revolu­tie van 1789 wordt genoemd.
Kant heeft die revolutie met geestdrift begroet en uitgeroepen: ”Nu kan ik evenals Simeon zeggen: Heer, laat uw dienaar in vrede gaan nadat ik deze dag van heil heb gezien”.
Montaigne moet invloed op Kant uitgeoefend hebben ten aanzien van het vrijheidsbegrip. Montaigne sprak uit, schreef neer: "Het is onzeker, waar de dood ons wacht: laten wij hem overal verwachten. Het peinzen over de dood is een voorgedachte der vrijheid: wie heeft geleerd te sterven, heeft afgeleerd dienstbaar te zijn".
Kant stelde het aldus:
“Stel dat een wellusteling zijn begeerte tot een vrouw onbedwingbaar noemt, maar dat er een galg voor zijn huis wordt opgericht om hem, zodra hij zijn harts­tocht zou bevredigd hebben, daaraan te hangen. Zou hij dan ook zijn neiging moeten bot vieren?
Maar stel nu een ander geval. Onder bedreiging met


20
onmiddellijke dood wordt er door een machthebber van iemand geëist, dat hij een vals getuigenis tegen een eerlijk man, die hij wel gaarne in het verderf zou zien lopen, zal afleggen.
Zou hij nu zijn liefde tot het leven, hoe groot zij ook. moge wezen, niet kunnen overwinnen?
Het is niet de vraag wat hij doen zou, maar wat hij zou kunnen doen. Hij zou, als hij de waarheid verkoos te zeggen, moeten toegeven, dat hij zich bewust was te kunnen wat hij als behoorlijk aanmerkt en dat hij dus die vrijheid bezit, welke hem zonder de zedewet (in hem) onbekend ware gebleven”.

Vrienden, ik kan nog uitweiden, ik kan de begrippen autonomie en heteronomie naar voren brengen, maar ik wil eindigen, ik eindig met deze twee uitspraken, want zij zeggen mij het meest, zij grijpen mij aan, zij eisen geen geleerdheid, geen diepgaand onderzoek, zij bieden weinig, geven geen troost, geen vooruitzicht, geen hoop, maar wel het wezenlijke van wat de mens in diepste wezen kan zijn: sterker dan de dood.

H.B.Schreiber
Monte Rosa 20
AMSTELVEEN


In de tekst met OCR en correctie kunnen kleine foutjes zitten

Correcties: 23-2-2018,




De lezing hier
Het is werkelijk een fraai stukje tekst als je niet weet dat Schreiber altijd deze zinnen en alinea's (op-) zegt weet je niet beter. Maar hij doet het weldoordacht en goed, dus is een fundamentele kritiek ongepast.

Toe mijn verwondering heeft Schreiber het middeleeuwse denken uit de Scholastiek fraai weergegeven.

Ik had hem moeten horen spreken, zijn docerende stem en zijn professorale uitstraling van belezenheid. En toch is dit comedie: hij is te vergelijken met een kantoorbediende die weliswaar het naatje van de kous machtig is maar ongeschoold blijkt voor leidinggevende functie. Die mensen moeten er ook zijn, nietwaar?



Een overzicht van zijn ontwikkeling
Henk Schreiber wordt in zijn geestelijke ontwikkeling gepingpongd tussen Kantiaans idealisme in de persoon van  Dr. J.L. Snethlage en Marx's historisch-materialisme in de persoon van Dr. Sam de Wolff. Hij heeft kennis van het Engels empirisme. Er blijft niettemin ruimte voor strict eigen opvatting of interpretatie, hoe bescheiden ook doch grotendeels neemt Schreiber de volzinnige formuleringen van zijn wijsgerige leermeesters letterlijk over. Alhoewel De Wolff oorspronkelijk econoom is heeft deze geleerde best wel kennis van de wijsbegeerte maar weer niet zoveel als Schreiber zou willen. In de voormalige vrijdenkersvereniging De Dageraad speelden jarenlang als nasleep van Domela Nieuwenhuis anarchisten een rol zodat van filosofie weer niets terechtkomt.

Hij kent verder zekere geschriften van Dr. Leo Polak, Dr. H.P.G. Quack, Dr. R.C. Kwant (ex-priester), Dr. Cornelis Verhoeven, Dr. P.J. Bouman, Dr. Ger Harmsen, Dr. B.M.I. Delfgaauw, Dr. H.C. Rümke, Dr. J.D. Bierens de Haan, Dr.h.c. G. Mannoury, Dr. H.J. Pos, Dr. E.W. Beth, Dr Jan M. Romein, Dr. Karel van het Reve en naar Frankrijk (slechts) Montesquieu, naar Engeland Keynes.

Voorwaar een illuster gezelschap, wier werken, geschriften al of niet in tijdschrift of artikelvorm een ware aanslag doet op je vrije tijd. Schreiber had zijn ambtenarenbaan, huwelijk en gezin en moet dan nog de tijd vinden voor zelfstudie? Ik kan mij niet indenken dat Schreiber zelf in boeken van de voorgaande geleerden heeft gestudeerd want van 'n eigen opleiding is nergens sprake. Verder is hij van gewone komaf. Hij is dus voortreffelijk autodidact in filosofie, maatschappijleer en linkse bewegingen zij het in grondlijnen en schets. Als ambtenaar is het zich bewegen en ophouden in linkse kringen niet eens zonder risico want J. Kleuver bekende mij als ambtenaar bij de RVB altijd zijn mond gehouden te hebben.

Schreiber is een typische Dageradiaan, de autodidact, die vlug kan schrijven, nog sneller lezen, "gehaast" als excuus. Had hij niet beter "gedreven" kunnen schrijven?
Vorming heeft hij gehad van Mr. H.P.G. Quacks Socialisten, Domela Nieuwenhuis "Van Christen tot Anarchist" (dat ikzelf in vijf nachten heb uitgelezen), en van J. Saks (Piet Wiedijk). Het denken van Montesquieu. Las in Kwant, de ex-priester. Leo Polak met zijn standaardwerk "Inleiding in de metafysica op grondslag der ervaring". Hier is systematiek het grootste goed. Leo Polak die de radiolezing op 21 maart 1931 hield met een unieke openbare en opvallende stellingname atheïst te zijn. Ik weet dat dit Polak in de academische wereld wel kwalijk genomen werd aangezien er toch merendeels christenen zijn.
Weet van een debat tussen Dr. C.W. Rietdijk en Dr. R.C. Kwant op 18 oktober 1971.
Kennis van B.M.I. Delfgaauw en Ger Harmsen.

Schreiber stelt duidelijk (op het gebied der filosofie) van originaliteit gespeend te zijn. Duidelijker: Schreibers zelfbesef  is een weter en kenner te zijn maar geen oorspronkelijk denker.

Via deze schrijvers ontmoet Schreiber alle mogelijke ideeën en gedachten en kan daarover (altijd) in het kort schabloonwijze resumeren. Maar niet creatieverwijs aangezien Schreiber bekent zelf niet origineel te zijn ("van originaliteit gespeend te zijn"). Dit is geen (zelf-)verwijt maar een moedige daad van zelfkennis en -inzicht aangezien een ander onwillekeurig verleid wordt gezien de geuite volzinnen een groot denker voor zich te zijn/zien. Schreiber zelf bleef altijd bescheiden en onopvallend. Ik acht dit nogmaals een integriteit van jewelste als al zoveel door Schreiber geschreven is en hij eenieder het hoofd kon bieden zonder te overheersen. Schreiber wijst af het lezen van boeken met algemene strekking.

Schreiber is in een schriftelijke uiteenzetting over het denken van Kant (afgezet tegen dat van Swedenborg) en een onderhoud in 1950 over een nieuw beginselprogramma met Sam de Wolff zo briljant dat ik niet wil deze woorden te resumeren. Ook zal het weergeven van de tekst te uitgebreid worden voor een weblog. Maar alle achting is nu te verklaren wetend dat ik in 1974 dit nog niet zo heb beseft. Het lijkt een tragiek dat vooraf de tijd van de democratisering van het hoger onderwijs het "doorleren" überhaupt niet ter sprake kwam, laat staan voor meisjes, Schreiber heeft met onuitputtelijke kracht wel zichzelf gevormd, zoals ik dit ook bij mijn vrijdenkersoom Gerrit Gras (1904-1992) altijd heb geweten.

Muzikaal is Schreiber wel toen ik hem de melodie van Siegfrieds Rheinfahrt hoorde neuriën. Die kennis stamt uit de vooroorlogse tijd toen Wagner nog niet zo in discrediet was.



Dr. Jacob Leonard Snethlage (1886-Kaapstad 1983)
Wie ziet mijn verbazing thans kennis te krijgen dat Snethlage vrijzinnig hervormd predikant geweest (1911-1945) is? Dit komt zo lang na 1974 Schreiber bericht hebbend over een interview met Dr. Pieter Johan Roscam Abbing (1914-1996) inzake zijn opzienbarende boek "Ethiek van de inkomensverschillen" (1974). De geleerde is Nederlands hervormd predikant en de uitzending zal dan wel op de NCRV geweest zijn.
Schreiber antwoordde mij laconiek: "Wat kan je van een predikant verwachten?"
En dan nu Snethlage die aanvankelijk uit familietraditie theologie gestudeerd te hebben in de vrijzinnige sfeer terecht kwam en daar wederom zich geleidelijk van verwijderde tot een speciaal atheïsme alwaar van God niet veel meer werkelijkheidswaarde overblijft dan een substantief. (Als praktiserend predikant bad hij op de kansel omdat het zo hoort.) Nee, Schreiber heeft me dit verleden nooit gezegd maar ik was dan ook evenmin in de gelegenheid in het werk van Snethlage te studeren. Ik denk haast van wel dat Schreiber hem persoonlijk gekend heeft en hem wellicht er toe heeft aangezet na 1945 lid te worden van De Dageraad.


Jacob Leonard Snethlage
Jacob Leonard Snethlage (onzeker)











In 1935 bezocht Snethlage in de organisatie Vereniging Vrienden der Sovjet-Unie (VVSU)  waarin ook Rika Brok-Troelstra (1867-1944), de dochter van Jelle, de Sovjet-Unie en schreef in Politiek en Cultuur (P&C) (anno 1935) van de CPN. Snethlage schreef een verslag (1935) met inleiding van Dr. H.J. Pos. Dit leverde hem de haat op van de communistenvreter J. de Kadt en van de rode dominee (gereformeerd, nadien hervormd) Ds J.J. Buskes. Later zal P&C fel tegen Snethlage ageren. Je kunt niet anders verwachten dat toeristen in de SU als ook in de naoorlogse Oostbloklanden zand in de ogen wordt gestrooid als zouden aldaar boeken van niet-communistische schrijvers net zo goed verkocht worden. Pure propaganda waar Snethlage en Schreiber mooi ingevlogen zijn.
Als communist erkende hij volmondig de klassenstrijd. de dictatuur van het proletariaat en de leidende rol van de communistische partij.
Maar in 1940 schreef hij vriendschappelijk over Duitsland, hetgeen hem met verwijten na de oorlog werd nagedragen; het boek bevat bij nader inzien geen woord ten gunste van het nazisme.
In Amerika gewoond hebbend ook vriendelijke dingen over dit land, dat hem in 1947 de toegang weigerde.
Snethlage bekent niet een sociaal type te zijn wat hem door de sluwe Buskes in Tijd & Taak wordt nagewezen maar daarmee hoeven wij nog niet met de dominee samen te staan.
In Kant ziet Snethlage niet de subjectieve idealist als bij Heymans, Leo Polak en Bierens de Haan.
Tevens is Snethlage overtuigd dat  aan de hand van kenniskritisch standpunt het dialectisch-materialisme wetenschappelijk als ideologie, dus functioneel, volkomen verantwoord is.
Schreiber verrichtte zijn kritiek onder pseudoniem van H. Jansema.

Montesquieu kent Schreiber van een der drie boeken van Snethlage, maar over Rousseau en Voltaire heeft hij niet gesproken. Maar ik twijfel wel of Schreiber überhaupt wel Snethlage bestudeerd heeft en dat hij toch niet alles uit secundaire zo niet gepopulariseerde bron heeft...

Historisch materialisme  = methodisch uitgangspunt.
Dialectisch materialisme = ideologie.

Dr. J. Kalma schrijft dat Lenin, o.g.v. Engels de eigenlijke kentheoretische grondslag van het dialectisch materialisme geeft met verder weg Hegel. Deze wordt gezuiverd van het absolute idealisme waardoor het historisch materialisme ontstaat. Het reale Sein wordt krachtig gehandhaafd ten koste van Kants transcendentale werkelijkheid.
Schreiber corrigeert deze schrijver door te stellen dat het historisch materialisme eigenlijk los staat van het dialectisch materialisme, want omgekeerd is juist dat het laatste uit het eerste is voortgekomen! Dit nu doet je wel duizelen dat een amateur als Schreiber zo een diepgravend kentheoretisch standpunt kan innemen! Hij is toch geen wetenschapper? En hij weet zelfs van Ernst Mach maar die is mij toch werkelijk een brug te ver. Deze toch immers dogmatische leer met ijzeren verplichting is in de vooroorlogse Sovjet Unie ingevoerd. Als je ooit iemand hebt horen spreken over een "onderstroom" die wereldwijd leidt tot wereldcommunisme dan weet je waar hij dat vandaan heeft.

Domela Nieuwenhuis bestrijdt in zijn "Van Christen tot Anarchist" de dialectiek:
- Er zijn vele kip of ei-problemen;
- Stelt wisselwerking en
- geloof dan maar in een synthese

Het boek in een volksuitgave op krantenpapier kreeg ik van Bongaertz maar binnenin stond de naam van... H.B. Schreiber!

In Nederland is het voornamelijk Snethlage geweest die als zuivere kantiaan gekenmerkt kan worden.
Zijn "Kant" en "Kritische philosophie, theologie en psychologie" zijn volgens Schreiber meesterlijk van inhoud en stijl. Vanuit het criticisme krijgt iedere afzonderlijke wetenschap haar waarde en vanuit dat gezichtspunt weten we dat het probleem van de mens en zijn samenleving een eigen, een geëigende methode en afbakening van het probleemgebied behoeft, zodat we wat de maatschappij betreft bij een daartoe ontstane wetenschap terecht komen en beslist niet gaan filosoferen maar wetenschap gaan bedrijven en dus wat de bovenbouw betreft, ontmaskerend te werk kunnen gaan.



Dr. Salomon de Wolff (1878-1960) minder leermeester dan vriend
Sam de Wolff heeft Schreiber persoonlijk gekend. Sam trad in het bestuur van De Dageraad 1955 maar was al eerder sympathisant. Hij gevoelde dat de vooroorlogse Kantiaanse geest in het  beginselprogramma een marxist niet kan behagen. Dit deed Schreiber wel griezelen maar er kwam een compromis in de samenstelling van de tekst voor een nieuw beginselprogramma van De Dageraad.

Frits Kief was een leerling van De Wolff en levenslang vriend. Hij was ook op Sams 70e, 75e en 80e verjaardag met vele prominenten:

De heren van Gelderen namens de zionistische studenten, Huisman goed jeugdvriend, Dr. Willy Pos namens de Toneelschool,  Jo Sternheim, Voskuil, Winkler, Stokvis, Hoogland, De Vries, Lebon (V.A.R.A.), Frits Kief namens de Vlamgroep, zowaar Mevr. v.d. Goes, de weduwe van Frank v.d. Goes, L. de Jong, mevr. Friedman - v.d. Heide, Mr. Polenaar, W. Romein, prof. J. Romein met echtgenote, mevr. Mannoury, Gideon Drach van het Zionistisch Pioniersverbond, Abel Herzberg, Mijksenaar, mevr. Annie Scheltema en Albert Luikinga, Vliegen, Garmt Stuiveling, Jef Last, Kees de Boer, mevr. Schwimmer-Vigeveno, Berand Franke van het Joods Nationaal Fonds, Lies van Wezel, Ome Jan van Zutphen, Ds Buskes en Dr. Sajet.


Dr. Sam de Wolff met bolknak


De Wolff, "de rebbe van het marxisme", was uitermate geestig, doordrenkt met met Joodse humor maar ook wel ijdel en bijna geen tegenspraak verdragend. Schreiber kon echter goed met hem opschieten maar wist zijn marxisme met een korreltje zout te nemen.
Na de oorlog met ijzeren wilskracht zijn accountantspraktijk weer opbouwen en mede geholpen het culturele leven weer op gang te brengen. Jef Last zei ook: "Joden kunnen altijd weer opnieuw beginnen."
In de radiorubriek van de VARA, "Radioolympus", was zijn stem door het gehele land beroemd, een echt wolvengeluid, ietwat hees.




Zo ver ging de vriendschap met Schreiber echter weer niet, maar opmerkelijk is wel dat Schreiber op bezoek was de laatste avond in zijn leven. De Wolff kwam net uit het ziekenhuis. Beiden hebben wat afgelachen. Zo is Schreiber toch wel als een aparte en zijdelingse intimi van De Wolff te zien en heeft hij de vele anderen van zijn vriendenkring mooi afgetroefd.

Op aandringen van De Wolff heeft Schreiber op 13 oktober 1950 de herziening van artikel 2 der statuten aan de orde gesteld. Schreiber stelde een aardige motie op waarbij beiden zich niet kunnen gelijkschakelen. Schreiber durft De Wolff toch minder onderlegt is in filosofie. Maar ze praten verder.

"De afdeling Amsterdam, bijeengekomen in haar vergadering van 23 sept.1951, waartoe ook de leden van andere afdelingen uitgenodigd zijn, met het doel om de herziening van art.2 der statuten aan de orde te stellen, verklaart:
Dat bovenal de praktische toepassing van dit artikel door haar leden haars inziens dringend herziening behoeft, met name waar gesproken wordt van de aanvaarding der normen van het redelijk en zedelijk bewustzijn als grondslag van wereld- en levensleer en van het zichzelf plaatsen op de wetenschappelijk-wijsgerige grondslag van de souvereiniteit en autonomie der rede. De vergadering wijst op het feit, dat onze menselijke samenleving steeds meer door onredelijke en onzedelijke machten van bruut geweld, leugen en bijgeloof beheerst wordt dat met name in ons land verouderde en onredelijke wereld- en levensbeschouwingen aan ons volken in ‘t bijzonder aan onze jeugd, door de publiciteitsorganen der heersende klasse, door scholen en universiteiten opgedrongen worden.
De vergadering meent, dat tot dusver onze vereniging zich te veel geconcentreerd heeft op de bestrijding der symptomen van diep gewortelde euvelen, die onze beschaving steeds meer bedreigen en te weinig aandacht schenkt aan de diepere oorzaken van deze euvelen, nl. de op meedogenloze concurrentie gegronde maatschappelijke orde, waarvan wij deel uitmaken en de daarmee gepaard gaande heerschappij van een klasse, die in het particuliere bezit der productiemiddelen is, die belang heeft bij de handhaving van een reactionnaire wereld- en levensbeschouwing, en die zowel de voorlichting van ons volk als ook de uitslag der zogenaamd vrije verkiezingen kan beheersen.
Dit diep gewortelde euvel is naar haar oordeel ook de oorzaak van het feit, dat deze wereld steeds scherper in twee vijandelijke kampen verdeeld wordt, dat de oorlogsdreiging toeneemt en in behaalde delen der wereld reeds tot meedogenloze slachtingen heeft geleid.
De vergadering meent verder, dat het niet enkel de taak van De Dageraad is om tegenover de buitenwereld te propageren wat reeds thans het gemeenschappelijk inzicht van al haar leden is, maar ook om naar innerlijke verdieping te streven en haar leden zelf een dieper inzicht in de euvelen van onze samenleving en de middelen ter genezing bij te brengen. Zij oordeelt ...................................."

De foutieve spelling van reactionair e.a. heb ik zo gelaten!

Als bestuurslid van de afdeling Amsterdam van De Dageraad stelde hij het beginselprogramma ter discussie. Een aantal z.g. deskundigen uit het land met daarin Schreiber. Deze kraakte 'n tekst van De Wolff af, waardoor De Wolff zeer kwaad werd. Vervolgens ging Schreiber bij hem op bezoek met een tekst door hem opgesteld, zij het niet fraai van stijl. Schreiber bij De Wolff op bezoek, die het er dadelijk me eens was. Je krijgt de idee dat De Wolff ervan af wilde zijn.

Het eerste program uit 1931 was Kantiaans door prof Leo Polak, met wel een mooi stijl. Maar in 1953 kwam er een program dat ook voor Marxisten aanvaardbaar is.

"De Dageraad stelt zich tot doel de bevordering van de vrije gedachte, tot verdieping en verbreding van 's mensen besef op alle gebieden des levens. Zij plaatst zich daarbij op wetenschappelijke grondslag, daarbij steunend op het vrije onderzoek. Daarom verwerpt en bestrijdt zij ieder dogma, beseffend, dat er voor de rede geen absolute waarheden stand kunnen houden."

De Wolff acht dit de uitdrukking van het marxistische beginsel.

"Hiermede werd voor geen enkel dogma stand gehouden en werd de eenzijdigheid van de vroegere beginselverklaring om enkel geloofsdogma's of het bindend gezag van de kerk te bestrijden, weggenomen. De laatste woorden dat geen absolute waarheden stand kunnen houden, waren voor De Wolffs gevoel de uitdrukking van het marxistisch beginsel dat in de loop der geschiedenis der mensheid iedere waarheid van gisteren de leugen van morgen kan worden."

"Aldus kan het historisch materialistisch denken aan de socialistische arbeiders worden gebracht. De Dageraad blijft op die wijze haar verleden trouw. Uit haar zijn immers rondom 1860 de eerste heldhaftige pioniers voor de socialistische beweging voortgekomen."

Maar het niet erkennen van absolute waarheden is bij uitstek Kantiaans. Dus vindt Schreiber de nieuwe tekst niet marxistisch. Wel marxistisch is zoiets als: dat methodisch gezien de gedachten der mensen maatschappelijk bepaald zijn zodat een maatschappijverandering primair ten grondslag ligt aan het verbreiden van de vrije gedachte.
Het vooropstellen van een dialectisch materialistische beschouwingswijze is uitgesloten omdat de vrijdenkers van diversen pluimage zijn. De Wolff moet het verenigingsbelang verwrongen hebben naar zijn gezichtspunt, zo dat hij een uitdrukking marxistisch noemt terwijl zij als zuiver Kantiaans valt te kenmerken.

De Wolff dacht dat de communisten in Rusland hoe langer hoe meer in de richting gaan van het kapitalisme, terwijl de Amerikanen steeds dichter bij het socialisme komen. Maar hier is de wens de vader van de gedachte. Eigenlijk worden feiten gebruikt om in een bepaalde kraam van pas te komen, aldus Schreiber in maart 1955.

De statuten artikel 1 zoals geldend in 1912:

De Dageraad Statuten art. 1



De Dageraad Statuten art. 1
 











 

















Henricus Lambertus Gerardus Schutjes (1880-1944)
Henrik Schutjes is een prominent in De Dageraad geweest begin XXe. Hij ondertekent met de toevoeging "vrijdenker". Van zijn hand verscheen in 1912 een brochure, getiteld:



VRIJE GEDACHTE
================

AANVAL                                                     
DOOR                        
P. VAN DORP       
ROOMSCH PRIESTER
MET                              

VERWEER                                                  
DOOR                                      
       HENRIK SCHUTJES
VRIJDENKER              
                      RED. WEEKBL. "DE DAGERAAD"

     "DE DAGERAAD" - 1912
O. Leliestraat 2.


Dit was toen het woonadres van Schutjes en vanaf 1941 eveneens. Hiervoor woonde hij ergens anders, waarover straks meer.
De priester moet echt zijn. Dialogen zijn veelal door fictieve (roman-)figuren, denk aan Plato en drama's soms louter voor de frisse schrijfstijl als Oskar Panizza (1853-1921) en 'n vrijdenker in Frankrijk die de natuur van Rousseau geridiculiseerd heeft. Schutjes vermeldt zijn bron:

R.-K. Advertentieblad "De Reclamebazuin" No. 42 (31 Augustus 1912), 43 (7 September d.v.) en 44 (14 September d.v.)

Volgens deze schrijver hebben de woorden "vrije gedachte" een bedrieglijke betekenis van het "bandelooze, (het verplichte) goddelooze, de onvrije gedachte". Niets kan zichzelf maken. Wat niet bestaat, kan ook niets maken. Het bestaat niet krachtens een innerlijke noodzakelijkheid, de reden niet in zich zelve maar in een oorzaak buiten haar. De vrijdenker is verplicht goddeloos te denken. Het zijn wetenschappelijke clowns. Dus het platte materialisme.

Dom is Van Dorp niet, hij is een belezen man die het populaire boek namen aanvoert als Büchner (naam niet vermeld!) Stof en Kracht, hetgeen ik niet bezit maar wel Sébastien Faure) begin 70er van Overre gekregen, Pasteur, Tyndall, Gondal, E.P. Roelandts S.J., Bolland, Dr. van Oppenraay,  Dr. F. Meffert, (August) Bebel, Mark Twain, Belloc (Orthodoxie), Dr. Eerdmans (Leiden, A.H. 25-10-1912), Dr. Joseph Schnitzer, München, Kautschky.

en citeert Gesamm. apolog. Volksbib., ene Pérès, Jac. Rademacher Dageraad Utrecht, Chesterton, Dr. J.V. de Groot te Leiden (Rome de grootste verdedigster en beschermster van het menselijk verstand), en kent hij 'n oude Dageraad uit 1880-1881, Annuarium Petrus Canisius 1910, Groote katechismus 's Bosch met pastoor J.A.F. Lips.

Maar door het doopsel heeft iedere vrijdenker het recht en de plicht zich met de kerk te verzoenen, en roept daarvoor Gods barmhartigheid en genade aan, besluit Van Dorp. Dat zou gekund hebben: Schutjes had een katholieke moeder uit Maastricht!

Het is echt een strijddebat zoals in vroeger jaren bloedig gevoerd is geworden door een gelovige en een ongelovige, beter atheïst. Eind XXe konden uitgetreden priesters ook een bekentenis en strijd aangaan, bij de laatsten denk ik aan de componist en musicoloog Bernardus Maria Huijbers (ex-S.J.) (1922-2003). Maar een uitgetreden priester (zelfs ook zoiets met een afgehaakte seminarist) werd toen nog voor de omgeving volkomen genegeerd. Een spreekbeurt vond plaats in de Dageraadsvergadering op zondag 27 oktober 1912 door ex-priester Dr. Jan van den Brink te Amsterdam, weliswaar geen debat maar de felheid en het zich-afzetten-tegen spreken wel voor zich. Voornoemde P. van Dorp waarschuwt in De Tijd (26-10-2912) hiertegen. Schutjes glundert dat dit toch maar kan, Giordano Bruno "verliep het beroerder". Daadwerkelijk gaan nu deze twee het strijdperk in: Van Dorp en Van den Brink!

Schutjes is aardig filosofisch en theologisch bezig, ik ga dit niet samenvatten. Wel wijs ik op zijn vulgaire taal dat Van Dorp bepaald "jezuïtisch - d.w.z. geniepig en schunnig" wordt. Dan nog "gemyterde priesterbende", praktijken die we doorgaans simonie noemen, schrander en geslepen, idiotismen, debiteren van leugens, achterlijke domkop als eerenaam, hocus-pocus-woorden en -gebaren, en het ouweltje presentia realis, het quia absurdum (wat voor Petrus Canisius juist de aansporing was!),

De priesters zijn gebonden aan de Index librorum prohibitorum (1559-1966), de Syllabus Errorium (1864, Maria Onbevlekte Ontvangenis) en de Anti-Modernisteneed (Pascendi 1907 bezit ik) van 1910.

Het lijkt wel dat vrijdenkers toch hun beheersing moeten verliezen met grondige bestudering van vijandelijke schrifturen... Doch niet zo erg nog als bij die Marcus Bakkers die een full-time scheldpartij voerden. Toch is het Van Dorps verwijt vrijdenkers ook "misdaden tegen de Roomsche kerk" te zien bedrijven.

Ten slotte statistieken met bronvermelding over bekennende zonder kerkgenootschap, een percentage dat al een eeuw steeds groter wordt.

Hij besluit met de waarheid: 
"waar het (vrij-)denken begint, sterft het geloof in dominé, pastoor en rabbi."



Wie was nu eigenlijk Henrik Schutjes?
Van mijn vrijdenkersoom Gerrit Gras (1904-1992) kreeg ik in juli 1974 voornoemd geschriftje over "Aanval en Verweer". Ik berichtte Schreiber dit in mijn correspondentie. Bij gelegenheid mompelde hij dat Schutjes een scheve schaats gereden heeft, meer niet. Zoiets vergeet je niet! Eerst nu heb ik de waarheid boven water gekregen.
Schutjes in geboren op 18 september 1880 te Eindhoven. In 1909 huwde hij Anna Smit (1885) die al een zoon van hem had tot de scheiding in 1918. Hij heeft vanaf december 1938 op diverse adressen in Amsterdam gewoond met als laatste alleen in de armoedige Transvaalbuurt, alwaar hij is overleden in april 1944. Dat is dezelfde buurt als Frits Kief.
En dan de waarheid: In 1938 werd de in landelijke pers bericht dat Schutjes is gearresteerd wegens verduistering. Hij was bondsambtenaar van de Algemene Bond van Handels- en Kantoorbedienden te Amsterdam en het penningmeesterschap van de Federatie van Kantoorbediendenbonden voor examens. Bij beide organisaties heeft hij in de loop van tien jaren ƒ30.000 opgenomen. Hij zorgde voor een ogenschijnlijk sluitende boekhouding hetgeen hij tien jaar volhield. Toen dit niet meer gelukte gaf hij zichzelf aan bij de politie. Het is de vraag of dit misdrijf überhaupt gerechtelijk bewezen is.
Als je met de index van (gemiddeld) 1933 het bedrag omgerekend is dit nu ruim €600.000.
Eind 1939 was hij woonachtig aan de Harmen Jansweg te Haarlem en dat is de Koepelgevangenis! Aldaar verloor hij zijn distributiekaart. Eenmaal vrij in februari 1940 stierf hij in 1944, nog een eind voor de komende hongerwinter.



Jan Hoving en de V.R.O.
Schreiber heeft hem wel gekend maar bleef  gereserveerd aangezien Hovings een religieus atheïsme bezat, m.n. de theosofie. Jan Hoving (1877-1939) was bepaald een activist, tegen fascisme, nazisme, antisemitisme en tegen een bevriend staatshoofd. Dat was even wat anders dan ordinairderwijs  inhakken op voornamelijk dominees en pastoors! Net zo autodidact als Schreiber.
De V.R.O. (Vrijdenkers Radio Omroep) bestond van september 1929 tot 30 december 1936. Nog op 15 september 1936 prees De Haagse Post Hovings woede tegen de Jodenhaat. De andere omroepen lieten namelijk verstek gaan. Doch de N.S.B., de R.K. Staatspartij, de A.R.P. brachten minister De Wilde zover de V.R.O. te laten sluiten.



Prof. Hendrik Josephus. Pos (1898-1955)
Schreiber noemt hem meermaals, zekere teksten zal hij wel gelezen hebben. Als Hopster de mens als realiteit ziet, de enkeling voor ieders ervaring onmiddellijk gegeven acht, zodat samenleving en maatschappij meer erbij gedacht, door nadenken geconcludeerd of geabstraheerd. Maar dit is, aldus Pos, een denken dat het concrete met het onmiddellijke vereenzelvigt en verwart, en voor werkelijk houdt wat zich aan de argeloze waarneming dadelijk voordoet in plaats van naar omvattender constanten te vragen.
In Hegels en Marx's zin is dit omvattende juist het "werkelijke"; het is dat wat werkt in de onmiddellijk gegeven verschijnselen,  die onmiddellijke realiteit, maar geen werkelijkheid in diepere zin hebben. De ware realiteit is de samenleving.

Deze uitwendig gekende alinea door Schreiber bewijst zijn groot geheugen en zijn intelligentie de strekking te begrijpen. Maar het zijn niet zijn eigen woorden, hij heeft eerder geciteerd zoals met al  zijn uitlatingen op het gebied van filosofie. Ook doet deze tekst vermoeden dat Schreiber Hegel noch Marx in originale gelezen heeft want dat is gewoon voer voor vakmensen. Schreiber heeft dus zijn kennis opgedaan uit heus wel goede secundaire literatuur.



Schreiber en Frits Kief
Het is ondenkbaar dat beiden elkaar ontmoet hebben, noch persoonlijk noch in gezelschap als bij Sam de Wolff. Immers Schreiber is voornamelijk bestuurlijk actief vanaf de 30er tot de 60er en doet het later dan rustig aan met 'n lezing bezoeken; Kief begon bestuurlijkerwijs bij DVG in 1969 tot een jaar voor zijn overlijden. Deze echter, bezocht geen lezingen. En waar Kief spreekt komt Schreiber natuurlijk niet. Kief, de radencommunist met Marx en Lasalle als gedachtegoed paste eigenlijk ook niet zo in de vrijdenkerssfeer omdat hij meer van politiek activisme is. Hij is er ook op stukgelopen; zie mijn essay over Kief.



Andre Malraux
Las Schreiber "La condition humaine" in de vertaling van Malraux' vriend E. du Perron. Net zo autodidact als Schreiber. Dit kon de Hollander best want hij verkeerde in letterkundig milieu te Parijs.


Denkkracht
Schreiber is aan eigen formulering nooit toegekomen, bewondert Freud om een zijner formuleringen. Dan vindt Schreiber zich maar een stamelaar. Zijn zinsstructuren of geijkte formuleringen zijn geleerd als voor een proefwerk. Dan krijg je toch eigenlijk herhaling met als voordeel dat de inhoud onberispelijk is (een 10) maar de uiting een kunstje. Of is het faalangst? Scholieren moeten naar onze ouderwetse maatstaf veel, heel veel leren en dat is veel uitwendig leren teneinde hen klaar te stomen voor zelfstandig denken in hun latere leven. Want wie doet het dan voor je?

Hij die gestudeerd heeft en een werkzaam leven begint in de academische wereld kan datgene wat hij heeft verworven toch inpassen in een nieuw licht (immers het oude licht is allang weg) en de toehoorder een nieuwe kijk geven (immers niets blijft wat het is). Zo komen voornoemde Doctoren in de belangstellingssfeer van velen die met hun taalgebruik een nieuwe weg inslaan. Dat wil niet zeggen dat ze een werkzaamheid enes voorgangers afwijzen maar juist het perspectief vernieuwen. Dat dan de taal anders wordt is geen probleem. Dit nu is de voortdurend intellectuele werkzaamheid dat elke academicus betaamt.

Het heeft Schreiber veel, heel veel inspanning gekost en veel, ten aanzien van zijn maatschappelijk zijn, heeft hij daardoor verwaarloosd. Maar uiteindelijk is hij in dat opzicht vrij goed terecht gekomen en is hij ervoor behoed een vakidioot te worden.

Schreiber heeft dit nooit gekund, bleef opdreunen (wat hij ter berde bracht is dan ook altijd goed) en volgroeit dus tot een grote dwerg.



Infantiliteit
Meermaals schrijft Schreiber over de infantiliteit van 'n Hitler en 'n Himmler. Dit is wel gemakzucht zulke figuren snel te verstaan, maar dat worden ze toch nooit want boeken gaan er nog altijd over geschreven worden. Hoeveel woorden Joachim Fest daaraan niet besteedt in B6, K II "Blick auf eine Unperson". Ernst Nolte (roomskatholiek) spreekt van de ongecontroleerde inbezitneming, een hebben-willen van 'n halfvolwassene. Alle persoonlijke trekken maken nog geen volwassen mens. Maar als homo novus kon hij zich meer permitteren dan een geëtableerde ander.
Hij die als zodanig wel goed terechtgekomen is, is keizer Augustus, 50 jaar lang, doch had deze grote zelfdiscipline, eenvoud en matigheid (behalve in discrete sex) en werd heel conservatief.



Dogma
Van mijn vriend  Anthonius Wilhelmus Scham (1942) ontving ik zijn essay over "Het Dogma" d.d. 1 augustus 1974 waarin hij zijn gymnasiale vorming botvierde.
Ik gaf dit aan Schreiber die welwillenderwijs Schram een in zijn woorden al aardig bekende kritiek leverde, niet eerder op 25 september. Maar Ton Schram was allerminst amused aangezien hij met zijn intelligentie Schreibers poging tot zelfmoord uit eerdere teksten had begrepen en Schreiber dus voor hem geen notie was. Toch fraai dat Schreiber zich zoveel moeite getroost heeft voor een onbekende! Het uitdiepen van een woord overtuigt Schreiber geenszins. Het doet hem danken aan "Significa" die bij Frederik van Eeden gestalte krijgt. G. Mannoury was daarin expert. Ook Bierens de Haan, de eclecticus van Spinoza en Hegel, verschijnt ten tonele. Dan volgt ook nog de frase van het overbekende "maatschappelijk zijn", ik denk dat Ton met zijn zekere Augustijnse achtergrond daarin zeker geen behoefte heeft!
Schreiber excuseert zich voor zijn gehaastheid dat een purist allicht kan misbruiken.



De uitglijder
Tijdens een bestuursvergadering in 1974 liet Schreiber zich honend uit over de kut van Phia Baruch. Wij keken even op, sloegen dan onze ogen neder en zwegen. Was steckt dahinter?
Ik denk dat Ben Heytze, de man van Phia, Schreiber ooit eens een kat heeft gegeven. Maar kat is misschien een wat te triviaal woord, want Ben bezat een legendarische laconiciteit om in een paar woorden een heel verhaal te vertellen. Gestudeerd was hij als autodidact zeker, levenslang verliefd op anarchistische Max Stirner, maar nooit steeds hetzelfde verhaaltje. Dus een normaal volwassen mens zij het met een indolentie waarvan je Schreiber weer niet kan betichten.
Wat hij gezegd zou hebben verzin ik maar; toch zal het Heytze wel karakteriseren; bij gelegenheid zoiets als "Henkie gaat met opa Kant naar bed en staat op met oompie Marx." Nou dat kwam aan bij de doodernstig geleerde Schreiber, heeft ie daar nu z'n hele leven voor gestudeerd om in een paar seconden de grond te worden ingeboord? Een humorvol weerwoord was niet in het vermogen van Schreiber dus hij zweeg, vrat het op en zon op wraak. En zoiets heb ik meegemaakt!
Eigenlijk bedroevend; het zijn juist Ben en Phia geweest die de duistere tijd tussen de opheffing van De Dageraad en de stichting van De Vrije Gedachte hebben opgevuld met een stencil genaamd R/ede waarin Phia een achterkant vulde voor kinderen.

Welke getalenteerde heeft geen duistervol duaal leven? Mozart met zijn Touraine is al erg genoeg.



Dialectisch - en historisch materialisme
Schreiber gaf mij op mijn verzoek een uitgebreide uitleg, aanvoerend Karel van het Reve en zijn opponent Ger Harmsen (die op zijn beurt weer tegenstander van Snethlage) en citeert uit de Elseviers pocket die ik ook bezit al vanaf januari 1972. Dit valt me wel tegen van de filosoof! Dan volgen Engels en Lenin die door Schreiber filosofischerwijs niet al te hoog worden ingeschat.
Deze Schreibertekst te resumeren is onnodig aangezien toch niemand daarin belangstelling zal hebben. Toch waarschuwt Schreiber voorzichtig om te gaan met deze begrippen.



Slot
Onze correspondentie en enkele persoonlijke ontmoetingen, ik was ook bij hem in Amstelveen, heeft ons beiden vreugde bezorgd: ik, dat ik wat leerde van al te vage filosofische begrippen, hij, dat z'n moeizaam verworven kennis uitgebreid kon worden geëxposeerd. Ter lering maar zonder vermaeck. Ik ben Schreiber dankbaar dat hij deze moeite heeft ondernomen met het effect dat ik de man nooit vergeten ben. Maar echt, hij die zovele geleerden van formaat bestudeerd heeft is zelf niet meer dan een lezer die niet boven de tekst uitstijgt tot een successief nieuw creatief schrijver. Zo wordt hij levenslang gedoemd vele geleerde teksten van geleerde schrijvers naast elkaar gelegd te houden en daaruit te citeren tot in het oneindige. Dit is niet de ware studie, verzeker ik U! Maar interessant was het wel degelijk en daarvoor ben ik Schreiber levenslang dankbaar geweest.

Moge Henk Schreiber na zijn verhitte levensdrift een koele grafrust genieten.



Lees ook: 
Frits Kief negenentwintig Jaar geleden overleden

De (stok-)oude Vrijdenkers en Atheïsten van De Vrije Gedachte begin zeventiger XX 

Tegenstrijdige Teksten in den Bijbel - De Dageraad 1916  Aanvullingen: 

 

1-4-2018 Foto Snethlage uit genealogie ,


Jos Heitmann

AMSTERDAM
Email Jos:






5 opmerkingen:

  1. Ach, het is zijn ruim tien jaar jongere vrouw, sorry.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Het kan ook Franciscus Xaverius geweest zijn het absurde juist te geloven. Moet ik opzoeken.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Joop Dreumesen in dit weblog was ook eentje met encyclopedisch geheugen maar de link geven wil ik niet omdat je er toch niet wijzer van wordt.

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Henk ageerde wel tegen "vakfilosofen" (met de academische studie) maar zocht ze tevergeefs op middels correspondentie.

    BeantwoordenVerwijderen
  5. Henk gaf altijd af op "vakfilosofen", zij die filosofie doceren. Achtergrond is dat dezen niet zelf filosoferen en dat vond Henk maar te min. Zelf geeft hij toe ook niet een eigen filosofie te bezitten, dus wat lult hij dan?

    BeantwoordenVerwijderen