dinsdag 8 december 2020

J.G. Rausch - NIET-GODSDIENSTIGE STROMINGEN 1971

 

 
VERENIGING TOT BEVORDERING VAN ZELFSTANDIG DENKEN

 

NIET-GODSDIENSTIGE STROMINGEN


 

 

Ter inleiding

Op bepaalde scholen voor voortgezet onderwijs wordt ook gelezen uit het boek

"Spoorzoeken in de bonte wereld van geloven en denken" 

van de heer B. van Gelder.

 

Op verzoek van de bewerker van dit boek heeft de landelijk voorzitter van de Vereniging "De Vrije Gedachte", de heer J.G. Rausch, voor de volgende druk een nieuwe paragraaf geschreven over het niet-godsdienstige denken.

Deze paragraaf treft u onderstaand aan. 

Naast de in dit boek behandelde godsdienstige overtuigingen zijn er vele andere mogelijk, die men met de beste wil niet godsdienstig kan noemen. Vele daarvan zijn nog wel "religieus", d.w.z. de aanhangers er van menen, dat "ergens toch wel iets moet zijn", een soort meestal immanente drijvende, hogere kracht, die alles draagt of voortbrengt, of wel, een "mysterie" dat de sleutel zou zijn voor het raadsel van ons bestaan of iets degelijks. Religie is per definitie vaag, zegt Fokke Sierksma in "De Religieuze Projectie". In zulke vage religieuze gevoelens kunnen overigens allerlei moderne bijgelovigheden wor­telen, b.v. het geloof aan occulte krachten, aan astrologie, aan mascottes enz. Deze stromingen en de algemenere vage gevoelsreligie zijn verder niet het onderwerp van deze paragraaf. 

Zowel tegenover de godsdienst als tegenover de onbestemde religiositeit, die beide op subjectieve, dus binnen-persoonlijke gevoelens berusten, die evenals dromen, te be­wijzen noch te weerleggen zijn, staat het vrije denken, dat in Nederland belichaamd werd in de vrijdenkersvereniging "De Dageraad", opgericht in 1856 en die thans nog voort­bestaat als de vereniging "De Vrije Gedachte", zoals zij in 1958 herdoopt werd. Deze ver­eniging stelt zich, Volgens haar tegenwoordige beginselverklaring ten doel: "de bevorde­ring van de vrije gedachte, tot verdieping en verbreding van 's mensen besef op alle gebieden van het leven. Zij plaatst zich daarbij op wetenschappelijke grondslag, steunend op het vrije onderzoek. Daarom verwerpt en bestrijdt zij ieder dogmatisme, beseffend dat er voor de rede geen absolute waarheden stand kunnen houden." 

Vrijdenkers worden meestal atheïsten genoemd, m.a.w. mensen die het bestaan van een persoonlijke god ontkennen, hoewel in de bovenstaande beginselverklaring het woord atheïsme niet voorkomt. Dat deze wel atheïsme insluit valt echter niet te ontkennen en de meeste vrijdenkers komen er dan ook onomwonden voor uit, atheïst te zijn. Voorheen - zelfs tot ver in de negentiende eeuw - werd het atheïsme beschouwd als een gevaar voor de moraal en voor de maatschappij. Goddeloosheid was een kwaad, een misdaad zelfs.

Atheïsten werden dan ook vervolgd en in vroeger eeuwen ter dood gebracht, meestal op zeer wrede wijze. 

Over het atheïsme heersen ook thans nog bij vele godsdienstige gelovigen allerlei misverstanden, b.v. dat er geen echte atheïsten bestaan, dat atheïsme tot een wanhoopshouding leidt of wel, daaruit voortspruitend, dat een niet-godsdienstige overtuiging dor, leeg en koud is enz. 

Van dat alles is niets waar. Een atheïstische levensbeschouwing zal meestal een levensaanvaardende, positieve houding meebrengen omdat de vrijdenker er stellig van overtuigd is, dat hij van dit leven maken moet, wat ervan te maken is; het is zijn enige kans, een tweede, in een leven "hiernamaals" wordt hem niet geboden, meent hij,

Hoewel het atheïsme, naast de godsdienstige overtuigingen, vrijwel zo oud is als het menselijke denken, heeft het door de gestadige vooruitgang van de wetenschap een geweldige impuls gekregen. In wezen is de wetenschap niet anders dan de consequent doorgedachte en uitgewerkte methode van het vrije denken, n.1. het kritische vrije, onderzoek, gegrond op ervaring en goed opgezette proefnemingen.

De wetenschap heeft de op dogma's, d.w.z. op bij voorbaat als waar aangenomen stel­lingen, gegronde godsdienst onttroond, de bijbel als leidraad voor kosmologie, voor natuurlijke historie, voor geschiedenis, weerlegd of overbodig gemaakt en in laatste instantie ook als grondslag voor de moraal ondermijnd. Vandaar ook de grote afvallig­heid van de godsdienst, waarover de kerken thans klagen. Van die afvalligen komt ech­ter slechts een klein gedeelte ertoe zich bij een levensbeschouwelijke, niet godsdien­stige organisatie aan te sluiten. 

De vrijdenker is ervan overtuigd, dat er geen ander middel is om tot geldige kennis te komen dan dit vrije, kritische, op ervaring gegronde onderzoek en dat daar­om het verstand de voorrang moet hebben boven driften en emoties. Hij weet ook, dat dit verstand, ook wel aangeduid als "de rede", niet almachtig is, de mens niet alwe­tend kan maken. Juist door de rede, door ons verstand, leren wij de grenzen van onze rede kennen. Dit brengt mede, dat de vrijdenker er genoegen mee neemt, niet tot een afgerond, definitief wereldbeeld te kunnen komen. Alle pogingen daartoe gelden slechts "tot nader order". 

Het vrije denken, d.w.z, vrij van dogma’s, heeft dus tot basis het menselijk verstand en het menselijk kenvermogen. Vandaar dat vrijdenkers zich ook wel rationeel-humanisten noemen.

Het vrije denken verwerpt alle geopenbaarde godsdienst. Een openbaring moet bij voorbaat worden aanvaard, zoals zij is, op gezag van degene, die zegt haar te hebben ontvangen, dus als dogma. Dat sluit in, dat ook het godsbegrip van het christendom verworpen wordt. Dit godsbegrip is echter bij velen, die zich nog altijd christenen blijven noemen, in hevige mate door de wetenschap aangetast. Men vindt dit tv. bij theologen als Tillich en Bultmann en in hun voetspoor bij John A.T. Robinson, de schrijver van "Eerlijk voor God", het boekje dat in 1963 zoveel gerucht veroorzaakte. Deze geeft die aantasting dan ook ruiterlijk toe. In hetzelfde schuitje bevinden zich ook de mensen van de "God-is-dood"-theologie (Van Buren, Altizer, Hamilton e.a.)

Overigens worden aan het woord "God" zoveel verschillende betekenissen gegeven dat het alleen al daardoor onbruikbaar voor een discussie is geworden. Iedereen die dit woord gebruikt, zou daar steeds bij moeten omschrijven wat hij ermede bedoelt.

Daar door ook verklaart het niets. Het geeft dus hoogstens een schijnverklaring van problemen, die de gelovige door het "ingrijpen van God" opgelost acht. Hij (of zij) hebben in dat woord hun verlangens, hun verwachtingen, hun idealen, hun troost geprojecteerd. Het is dus de mens, die zijn god schept, naar eigen (ideaal) voorbeeld.

Ten opzichte van zijn medemens huldigt de vrijdenker de gedragsregel "Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet". De wijsgeer Kant heeft dat uitgebreid tot "Handel zo, dat het grondbeginsel van uw wil als het beginsel van een algemene wet zou kunnen gelden". Hij beschouwde dat nog als een "categorisch imperatief", een dwingend gebod, dat door een hogere macht in ons was gelegd, maar een vrij­denker kan het niet anders opvatten dan als een volkomen redelijk te verantwoorden voorschrift in een samenleving waarin ieder lid dezelfde rechten heeft als ieder ander.

Politiek zal de vrijdenker in het algemeen "linies" georiënteerd zijn. De keuze: van een politieke partij 'is voor hem echter een privé-aangelegenheid. In het verleden zijn uit de vrijdenkersbeweging de mensen voortgekomen die hier in Nederland de eerste socialistische bewegingen hebben opgericht of gestimuleerd. Omgekeerd hebben deze bewegingen het vrije denken diepgaand beïnvloed.

Naast de vrijdenkers beweging is na de tweede wereldoorlog in 1946 het Humanis­tisch Verbond ontstaan. Dat geschiedde geheel onafhankelijk van de vrijdenkersbeweging en buiten haar om. Het Humanistisch Verbond mist de strijdbaarheid, die van oudsher het kenmerk van de Dageraad/De Vrije Gedachte is geweest. Weliswaar zullen de leden van dit Verbond merendeels als atheïsten kunnen worden beschouwd, maar daarnaast biedt het H.V. ook plaats aan mensen, die zich religieus willen noemen, zonder een bepaald godsbegrip te huldigen.

Rationeel-humanisten kunnen zich daarom meestal niet geheel thuis voelen in het H.V., hoewel verscheidene vrijdenkers zowel lid van het Verbond als van De Vrije Gedachte zijn. De betrekkingen tussen H.V. laatstgenoemde vereniging kunnen het beste gekarakteriseerd worden als koel-vriendschappelijk.

In de 19e en het begin van de 20e eeuw stelde De Dageraad zich vaak agressief op ten aanzien van de godsdiensten en de kerken, omdat zij de zijde van de machten van het behoud gekozen hadden en altijd een rem op alle vooruitgang waren. Dat is thans vaak nog zo, maar de positie van de kerken is niet meer zo overheersend als toen. Daarom is deze agressiviteit niet meer zo dringend noodzakelijk, maar geheel verdwenen is zij niet en dat kan ook niet met het oog op de nog altijd grote achter ban van traditioneel kerkelijke gelovigen, die een onevenredig groot gedeelte van de publiciteit in beslag nemen voor hun activiteiten en hun opvattingen. Bovendien worden deze lieden gesteund door de vaak dubbelzinnige of halfslachtige houding van de meer geëvolueerde gelovigen die de "oude trant" niet radicaal wensen te verloochenen.

Daarnaast bestrijdt De Vrije Gedachte ook nog wat zij als modern bijgeloof beschouwt, b.v. occultisme, astrologie e.d. die het gevaar van grove misleiding van argeloze zielen meebrengen. De zich meer wetenschappelijk voordoende parapsychologie (ook wel psychical research) wordt juist om haar z.g. wetenschappelijke pretenties bestreden, omdat zij naar de mening van de Vrije Gedachte nog altijd in gebreke is, om deze pretenties waar te maken.

De Vrije Gedachte geeft een maandblad uit (10 maal per jaar), dat eveneens "De Vrije Gedachte" heet. Het adres van het secretariaat is Postbus 1087 te Rotterdam. De vereniging beschikt over radio-zendtijd (mini-omroep, 10 minuten per 14 dagen).

De beginselen van het vrije denken zijn samengevat in de brochure "Vrij denken = Noodzaak", waarvan een tweede druk in voorbereiding is. Een zeer goed historisch overzicht is te vinden in het boek van Dr. A.L. Constandse, "Geschiedenis van het Humanisme in Nederland" (uitgave Kruseman, 1967) terwijl er ook nog enkele werken bestaan, die hoewel van buiten de eigenlijke vrijdenkersbeweging afkomstig, toch geheel in haar geest geschreven zijn. Enkele daarvan zijn hieronder vermeld:

 

Joachim Kahl: Het Onheil van het Christendom (Bruna, Zwart Beertje)

Walter Kaufmann: Het Geloof van een Ketter

Dr. G.A. van Klinkenberg : Wat kunnen wij weten?

idem              : Een tuin in de wildernis

Rudy Kousbroek: Het Avondrood der Magiërs

 

Behalve het boek van Kaufmann, dat van 1962 dateert, zijn b.g. werken alle in 1969 of 1970 uitgegeven.



Rotterdam 14 mei 1971

Postbus 1087 Rotterdam.


Dr. Anton L. CONSTANDSE over ACTUELE VERSCHIJNSELEN VAN ONGEWENSTE VROOMHEID causerie 24 februari 1974

 

Causerie van Dr. A.L. CONSTANDSE over

ACTUELE VERSCHIJNSELEN VAN ONGEWENSTE VROOMHEID

uitgesproken op 24  februari 1974 voor de afdelingen Den Haag van het Humanistisch Verbond en De Vrije Gedachte.

 

 

 


 

Waarde vrienden, 

 

Het onderwerp dat al geruime tijd geleden opgegeven is, dat luidt inderdaad ’’actuele verschijnselen van ongewenste vroomheid”. U zoudt zich, afgezien van de mogelijke ironie in deze titel, kun­nen afvragen of er volgens mij ook verschijnselen van ’’gewenste vroomheid” zijn. Ik zou dat niet positief kunnen beantwoorden, naar waarschijnlijk is het de bedoeling van de titel geweest om te spreken over nadelige vormen van Vroomheid, want er zijn er inder­daad welke die nadelen in mindere mate hebben. We leven op, het ogenblik in een periode waarin, ontzaggelijk veel wordt gesproken over het ’’magische denken”. Ik heb hier bijv. een pagina uit "De Groene" waarin over de her-opleving van het magische denken wordt geschreven, over bijzondere kruiden, anti-materie, buiten-aardse beschavingen e.d.. U zult zich afvragen of er een bepaalde oor­zaak is voor die mogelijke herleving. We zullen proberen on daar iets zinnigs over te zeggen. Ik wil er op wijzen, dat in het al­gemeen onder de term "magie" verstaan wordt een reeks van gewijde handelingen waarbij de mens probeert de geesten of goden gunstig voor zich te stemmen. U weet dat één van de magische handelingen gekerstend is in de springprocessie van Echternach, waarbij de deelnemers drie sprongen vóóruit naken en twee sprongen achteruit enz. De kenners van folklore zijn er van overtuigd dat dit een vóór-christelijk gebruik was om de geesten van de planten en van de zaden e.d. op te wekken om uit de grond te springen, en hen, langzaam aan voorwaarts gaande, ook nog tot vermeerdering van die produkten op te wekken. Men zou dus kunnen spreken van de macht van de geest die verondersteld wordt in staat te zijn om de materie naar zijn wens te vormen en goed of kwaad op te roepen.

 

U weet waarschijnlijk ook dat één van de restanten van de magie nog is het zgn. afkloppen. Afkloppen dateert uit diezelfde periode van de magie, voor zover ik dan tenminste weet, waarbij men de geest in een bosch aanbad (wouden zijn altijd rijk geweest aan geestelijke bewoners) waarbij men door het kloppen zo'n geest opriep en dan overtuigd was dat die in dienst van de mens kon staan. Nu is het zo dat wanneer je een woord gebruikt dat je eigenlijk moet vrezen, (je gebruikt bijv. het woord ziekte) je dan grote kans- loopt dat de geest van de ziekte wakker wordt en op je afkomt. Om dit weer te bezweren is het dan nodig om hem af te kloppen. In dit geval blijkbaar terug terug te kloppen, weg te kloppen. We worden hierdoor geconfronteerd met het verschijn­sel dat de ontwikkeling van de godsdiensten ongeveer aldus verloopt en begint met het spiritisme (het geloof dus aan het voort­bestaan van de geesten, gewoon menselijke geesten) en U weet dat dit dualisme een ontzaggelijk oud verschijnsel is; vervolgens het geloof dat déze geesten een vaste woonplaats hebben gekozen, in de bomen òf in de aarde of de rivieren of in de sterren (animisme) waaruit dan ook de astrologie voortvloeit, omdat astrolo­gie veel ouder is dan bijv. het christendom of het mohammedanisme of jodendom (bij de Babyloniërs was het bijv. al héél sterk) en omdat daar dus de geesten goden zijn geworden die in de ster­ren wonen en die ons lot bepalen. Men dacht dat er zeven bewe­gende hemellichamen waren (men telde de zon en de maan mee, en kende 5 planeten). Vandaar dat het getal (zevend in de astrologie een ontzaggelijk grote rol speelt. Ik vind het niet nodig een opmerking te maken over het onwezenlijke karakter van dit geesten-geloof omdat er alle mogelijke aanwijzingen zijn voor Zionistische opvatting van het leven, dat namelijk geest en lichaam één zijn. We weten allen dat er géén geestelijke belevenissen be­staan zònder hersen-werking, zònder fysieke werking van de zenuwen en hersen-cellen. Dat men. hoogstens zou kunnen zeggen dat het gees­telijke en het lichamelijke twéé aspecten zijn van één enkele realiteit. Zoals U dus ongeveer bij Spinoza dit monisme kunt aantref­fen, zodat de wereld van de uitgebreidheid, van de dingen en de we­reld van het denken, eigenlijk twéé verschijningsvormen zijn van het éne. Ik heb U al gezegd, alles wijst er op dat dit inderdaad het geval is. De wens om voort te; leven is inderdaad een soort van levens-instinct. Men moet bij het onsterfelijkheids-geloof  eigenlijk zeggen dat dit een levens-instinct is, de onwil om te sterven.

 

Vandaar dus dat deze gevoelens zo krachtig zijn blijven voortleven. 


Wat ons nu wel interesseert is dat deze goden eigenlijk mensen zijn. Vandaar ook dat ze te verbidden zijn. Ze kunnen boos worden, ze kunnen goedaardig zijn. Ze kunnen ook omgepraat, omgekocht worden met allerlei gaven en offers. Goden verbidden betekent dus dat ze niet zo verschrikkelijk standvastig zijn, ze kunnen ook wel van menig veranderen. Men komt dan onherroepelijk uit bij de gedachten die zo goed geformuleerd zijn door Ludwig Feuerbach, zo'n 130 jaar geleden, maar die ook reeds bij de oude Grieken leefden, n.l. de goden zijn eenvoudig gevormd naar het beeld van de mensen. Goden zin eigenlijk mensen. Feuerbach heeft zich afgevraagd hoe het komt dat de goden voorgesteld worden als mensen en alle eigenschappen hebben van de mensen. 


Hij zei dat zulks komt omdat voor de mens de mens het hoogste wezen is. U moet daar maar eens over nadenken, dit is per slot van rekening een onthullende opmerking. Onze moraal bijv. is een moraal die voor mensen geldt. We strek­ken die dan nog wel uit tot bepaalde dieren, de huisdieren bijv., maar veel verder gaat het dan ook niet. We zijn gerechtigd om die­ren te doden, men ziet dat wel aan de vee-stapels e.d.. In het al­gemeen kunt U dus zeggen, moraal berust op verantwoordelijkheidsgevoel van de ene mens tegenover de andere mens, berust op iden­tificatie, het zich wezens-gelijk denken van de mensen (doe een ander dat ge wilt dat men U doet; wens niets voor Uzelf dat ge ook niet voor een ander wenst enz.). Dat berust dus op identifi­catie van de mens tot de mede-mens, dat strekt zich dus niet tot andere wezens uit. Inderdaad, doordat de mens voor de mens het hoogste wezen is, is dat hoogste wezen als god dus ook een mens. U zult opmerken dat niettemin de goden toch wel nog iets méér kunnen. Ze kunnen al datgene dat de mens zou wensen, wat de mens niet kan maar wat hij zou wensen te kunnen. Goden zijn bijv. on­sterfelijk, ze kunnen nooit verliezen, ze zijn almachtig. De goden zijn geen rekenschap verschuldigd van datgene dat ze doen e.d. Het merkwaardige is dat voor zover de goden niet het wezen van de mens vertegenwoordigen maar de wensen van de mens, ze toch eigen­lijk machteloos zijn. U kent de term: vrome wensen. Vrome wensen zijn wensen die ook de goden niet. kunnen bevredigen. Dat is de wens naar vrede, naar algemeen geluk, naar welvaart of naar ge­zondheid en al dergelijke dingen meer. 'T is dan ook één van de constateringen van Ludwig Feuerbach waardoor hij heeft kunnen zeggen: de mensen geloven nooit wérkelijk aan de goden. Ze zouden het wel willen (goden zijn wel wens-wezens) maar in werkelijkheid geloven ze er niet aan en dat blijkt uit hun gedrag. Ze praten als gelovigen maar ze handelen als ongelovigen. Dat kunt U  dage­lijks opmerken. Het komt dus hier op neer dat de mensen die als gelovigen spreken, in werkelijkheid als ongelovigen handelen. U kent al die oude vaderlandse gezegden als: helpt Uzelf zo helpt U god (maar dan hebt U hem al niet meer nodig) of vertrouwt op god maar houdt Uw kruit droog. Bij de Arabieren bestaat ook zo
iets: geloof in Allah naar bindt je kameel vast. Dat; is dus wijd verspreid. U kunt zich voorstellen dat bijna alle gelovigen vertrouwen op de dokter, op de bliksem-afleider, op de verzekeringen, op het geld en op het geweld e.d. en véél minder op onze lieve heer. U zult tot de conclusie komen, of dat nu modern of ouderwets is, dat de goden toch min of meer gezien worden als hulp­krachten van de mens. De mens is het hoogste, wezen maar hij wil zichzelf graag voorzien van deze dienstbare geesten, die hij dan ook eventueel goden kan noemen. Het gevolg daarvan is dat wanneer hij één van deze geesten verheft tot de aller hoogste rang (U ziet dat in het ontstaan van de godsdiensten) het monotheïsme ontstaat.

 

Er is er één die de allerhoogste en allergrootste wordt. Dan is die opperheer toch ook maar een weerspiegeling van de opperste gezaghebber. Vandaar dat er in dat hele godsbegrip een machtig stuk groepsegoïsme zit. Op het ogenblik wordt er in Amsterdam een toneelstuk vertoond waarin god de vader en god de zoon e.d. ten tonele worden gevoerd, waarbij gerebelleerd wordt tegen de almachtige opperheer, die hier verschijnt. In een interview heeft de schrijver en regisseur van dit toneelstuk gezegd: ik heb het oude testament eens nagesnuffeld maar ik wist niet dat het zo fascistisch was. U begrijpt dat dit voortkomt uit die gedach­te aan god als opperheer, god als krijgsheer. God is degene die ook zo jalours is en geen andere goden of krachten naast zich duldt. Soms vindt U in dat oude testament inderdaad de onthul­lende blijken van een soort monopolistische almacht, waarbij alles draait om een bepaalde stam of een bepaald volk. U vindt bijv. in deuteronomium: ik ben een jalourse god die misdaden van de vaderen bezoekt aan de kinderen tot in het derde en vier­de geslacht dergenen die mij haten, maar ik doe barmhartigheid aan duizende dergenen die mij liefhebben en mijn geboden onder­houden. Dit zou één of andere dictator kunnen zeggen. Diegenen die mij haten die verdelg ik en voor diegenen, die mij dienen en liefhebben ben ik goedaardig. Trouwens, Sigmund Freud heeft dat in een boekje over massa-psychologie aldus uitgedrukt: ook wan­neer men spreekt over de godsdienst der liefde, dan is die liefde beperkt tot degenen die tot de groep behoren. Hij zei: daarom moet een godsdienst, ook als ze zich de godsdienst noemt der liefde, hard en liefdeloos zijn jegens degenen die niet tot haar behoren.

 

In de grond van de zaak is elke godsdienst zulk een godsdienst der liefde voor allen die ze omvat, maar onverdraagzaamheid ligt elke godsdienst ná jegens hen die niet tot haar behoren. De his­torie van de godsdiensten uit de tijd dat ze inderdaad nog mach­tig waren en ze beschikken konden over aardse macht bevestigt dit natuurlijk. Wanneer we dit alles begrijpen en dit zo historisch overzien, dan is het logisch dat wanneer er sprake is van her­leefde godsdienstigheid het ook betreft deze autoritaire gods­dienstigheid, ook betreft dit karakter van god als unieke leider en heerser. Dat zien we dan het aller-eerste in de evangelische omroep. De evangelische omroep is zéér sterk politiek getint.

 

Geeft aller-eerst dus aan dat god een willekeurige gezaghebber is aan wie men geen rekenschap mag vragen. Hij kan dus eigenlijk met de mens doen wat hij zou wensen. Maar hij is tegelijkertijd de drager van het aardse gezag. Als U wel eens luistert naar de evangelische omroep kunt U verschillende merkwaardige dingen op­merken. In de eerste plaats een verschrikkelijke trouw aan het oude testament. Men prijst Israël voor zover dat een half-theocratische staat is, dus voor zover de geboden van het oude tes­tament daar gehandhaafd worden en dan is men daarop tamelijk sterk georiënteerd. In de tweede plaats kunt U opmerken dat zeden en gewoonten uit dat oude testament sterk worden aangehangen, waarvan bijv. het gevolg is de actie van de evangelische omroep tegen homofilie. U weet dat verondersteld wordt dat in Sodom en Gomorra tot de zonden ook de homofilie behoort heeft en dat deze steden daarom vernietigd moesten worden. Het merkwaardige van deze omroep is dat ze bestaat uit lieden die voorheen helemaal géén televisie mochten hebben. Ze mochten ook niet naar de bios­coop. Het was zó, dat er op de Veluwe, in Zuid-Holland en Zee­land (U kunt zo’n heel rijtje dorpen en gemeenten in Nederland noemen waar het licht van de moderne tijd, voor zover het licht is nog helemaal niet is doorgedrongen en waar men in elk geval geestelijk tamelijk ver in het verleden leeft, waar in-enting en interventie van opererende artsen e.d.. taboe was, maar ook televisie), plotseling een periode komt dat de dominees omzwaai­en en zeggen: neen, nu moet je allemaal wél televisie nemen, want wij gaan de evangelische omroep vormen. Hoe verklaren ze dat? Wel, U vindt in het Handelsblad van 23-2-77 een stuk over de evangelische omroep waarin er aan herinnerd wordt dat in maart 1970 dominee van Katwijk gezegd heeft dat die omroep er moest komen want dat was een goddelijke opdracht. Er komt iets bij je op, je denkt we kunnen zo’n omroep wel vormen, er zijn wel gegadigden voor n.l. de ontevredenen met de N.C.R.V. die modern wordt en de K.R.O., er ligt dus brood op straat, en dan zeg je: ja, dat komt niet zo maar bij me op, dat is god die in mij spreekt en die zegt dat het moet. Ik ben ervan overtuigd zei     die dominee dat dit een aangelegenheid gods is. (Het is trouwens een familie-zaak. Dominee Glashouwer bracht z’n zoon Hans en z’n vrouw in en een ander bracht ook allerlei familie-leden in. Onder de familie-leden bevindt zich nog Dirk Jan Beijker, die de stap van productie-assistent bij pornografische films naar het christendom maakte. Dat was een familie-lid van de oprichters. Het blijkt dus wel een vorm te zijn van wat je nepotisme, zou kunnen noemen). Dan wordt dit nader nog eens als volgt beargumenteerd: bovendien ben ik de laatste twintig jaar in m'n leven zó onder de indruk gekomen van gods trouw in het algemeen, maar ook van de geschiedenis van het Nederlandsche volk (trouw van god jegens het Nederlandsche volk naar ik aan­neem) dat de hersen-spoeling die ons volk dagelijks via radio en televisie gegeven wordt uit het kamp van de tegenstanders (dat zijn dus de anti-christelijken) niet zonder tegengif mag blijven. Tussen twee haakjes, merkwaardig is hier de voorstel­ling van god. Die god is eigenlijk machteloos. Die god is een vrome wens. Hij is wel trouw, maar hij kan het óók niet. Hij kan die ellende van de ontkerstende omroepen ook niet voorkomen, ook niet met een pennestreek vernietigen. Hij heeft men­sen nodig, en die mensen komen dus in dienst van god om dan een tegen-omroep te vormen. De heer heeft dan de stichters van de evangelische omroep gezegend en het is de heer die hen in staat stelt om te spreken vóór hem. Altijd dezelfde idee van die god die een soort van hersenschim is en te voorschijn wordt ge­haald namens de mensen. Verder blijkt dat die zuil, die zéér principieel is, het erg goed maakt. Er zijn zo’n 140.000 leden, zij is een C-omroep en er wordt gehoopt het nog véél ver­der te brengen. Blijkens dit kranten-artikel hebben ze wel moei­te met de camera-mensen van de N.O.S. Die moeten dat natuurlijk allemaal bijwonen. Zo was er onder de camera-mensen o.a. een homofiel die alle scheldpartijen aan het adres van de homofie­len moest bijwonen en die op een gegeven ogenblik geweigerd heeft. Zo blijken er ook mensen bij te zijn die onder de in­druk kwamen van de. oprechtheid van het christelijk geloof, en dan zo tijdens de opnamen eens zeiden: godverdomme. Maar daarop zei zeer zalvend de vertegenwoordiger van de evangelische omroep: dit woord moet U hier niet meer gebruiken. Als U weer zo'n opwelling voelt, dan zegt U maar rododendron. Dat is na­tuurlijk erg mooi. Ik heb catechisatie genoten van een zeer sympathieke dominee die ook wel eens de neiging had om g.v.d. te zeggen, maar zei hij: dat kan ik als dominee niet doen hé en daarom wacht ik dan even en zeg alleschristenenzielen. Maar hier zei men dus dan moet je maar-zeggen rododendron. Oh, zeiden die camera-mensen, is dat dus ongeveer hetzelfde? Ja, dat woord moet je daar maar voor gebruiken. Op een gegeven ogenblik toen de ene camera-man tegen den ander: hoor eens Jaap, in mijn tuin staan de godverdommes zo mooi te bloeien!

 

Dit zijn de moeilijkheden waarmee de evangelische omroep te maken heeft. Niettemin kunt U opmerken dat er een verscherping van de tegenstellingen ontstaat, waardoor de rechterzijde zich concentreert in iets dergelijks als deze omroep. Dat is echter een verschijnsel dat U in de hele maatschappij kunt aantreffen, nl. dat overal de rechtse en absolutistische, autoritaire krachten angstig gaan worden voor een democratische en vrijere ontwikkeling en de gevolgen daarvan. Ze houden een wapenschouw. Dit vindt U ook bij de katholieken, mensen als Gijssen en Simonis. Bisschoppen die menen dat de enige manier om zich nog te kunnen handhaven is, terug te keren naar de onfeilbaarheid van de paus en het geloof aan de hemelvaart van maria e.d. dingen meer. Terugkeer naar al datgene dat minder geloofwaardig was geworden voor de katholieke leken. Er zijn nu natuurlijk twee mogelijkheden: dit is men slaagt er in om met behulp van de wet en een reactionaire regering inderdaad dit strenge geloof, dat maatschappelijk gegrondvest en politiek georiënteerd is, te versterken. Dit ziet U in landen als Griekenland of Spanje. Spanje is een confessionele staat, Griekenland evenzeer. U ziet dat de macht van de geestelijkheid daar hoog geschat wordt door de dictatoriale regimes. Dit was dus één mogelijkheid. Wanneer die uitblijft kunt U natuurlijk het tegenover-gestelde krijgen, nl. dat de orthodoxie verschrompelt tot een soort be­zienswaardigheid, terwijl de rest van het volk zich daarvan zou afwenden. Desondanks is het dan toch wel zó, dat men zéér goed moet opletten wat de invloeden betreft van deze rechter­zijde en van deze dictatoriale richting, die onverdraagzaam is door het geloof dat er slechts één waarheid is, en die deze waarheid wil opdringen. We hebben hier dus inderdaad wel te doen met een actueel verschijnsel van ongewenste vroomheid.

 

Dat valt hier dan echt wel onder, evengoed als het geloof van de officiële Spaanse kerk of de Griekse geestelijkheid. Nu moet ik nog een laatste opmerking maken over die evangelische omroep en dat is de volgende. U zult wel geen geduld hebben om te luisteren naar de theologische uiteenzettingen die deze om­roep geeft, en dat hoeft U ook niet te doen, maar het merk­waardige is dat ze volkomen onbegrijpelijk zijn. Als U bedenkt dat ze bestemd zijn voor een Urker visser, voor een visboer uit Spakenburg of een boer van de Veluwe, en U hoort dan de inge­wikkelde taal, de uit het Grieks of Latijn gehaalde termen, dan is het duidelijk dat er niets van te begrijpen is, zelfs (niet) voor iemand die meent dat hij tamelijk geschoold is, is het al uitermate moeilijk om dit jargon, dit merkwaardige woordge­bruik te doorgronden, en voor gewone mensen is het helemaal niet te bevatten. U zult vragen is dat dan niet het voorbijschieten aan het doel? Dan moet U toch wel even denken aan het feit dat enige eeuwenlang bij ons de heel domme en zielige arbeiders en boeren dagelijks uit die bijbel gelezen hebben, natuurlijk ook uit het oude testament. Er zijn hele stukken in het oude testament waar U niets, maar dan ook niets van begrij­pen kunt wanneer U niet op de hoogte bent van de historische ach­tergrond, van de folklore, van zeden en gewoonten en van de godsdiensten uit die tijd, van de archeologie dus eigenlijk. Héle ge­deelten die echt alleen voor archeologen, filosofen en theologen te verstaan zouden zijn. En al die eeuwen door hebben deze arme arbeiders en boeren toch maar gelezen. Luid gelezen, zonder iets daarvan te begrijpen. Dat is een dubbel gevaar nl. dat de mensen geneigd zijn om iets verschrikkelijk mooi, wijs en hoog te vinden, juist omdat ze het niet, begrijpen. Dan is het taboe geworden. Het is heilig en je mag er niet aan raken. Omdat het heilig is en on­aanraakbaar kun je het ook niet begrijpen. Dat is met god natuur­lijk ook zo. Een hele hoop handelingen van god zijn door de gelo­vigen helemaal niet te begrijpen. Het steunen van de onrechtvaar­digheid, het helpen van gewelddadigheid, het nodig hebben van oor­logen en al zulke dingen meer. Dan vragen de mensen: ja, waarom eigenlijk? Het antwoord is dan: god is wijzer dan wij en god be­hoeft ons dat niet uit te leggen, dat moeten we  maar geloven.

 

U begrijpt dat is dubbel gevaarlijk, nl. de neiging van de men­sen om zich juist neer te leggen bij datgene dat ze helemaal niet kunnen verstaan, want dan worden ze inderdaad willoze werktuigen van elke vorm van gezag. We mogen ook nooit vergeten dat de ker­ken natuurlijk maatschappelijke en politieke instellingen zijn geweest, en voor een groot deel op het ogenblik toch ook nog zijn. We constateren dus als eerste dit: er is ’n geloof aan goden dat niet kan berusten op begrip, en niet op het verstaan van het verschijnsel, het berust veel al op wensen, vrome wen­sen en op angsten natuurlijk. Als we inzien dat deze vorm die we eerst genoemd hebben, van de evangelische omroep dus, dat die dictatoriale systemen in de hand werkt, dan is het dus niet zo dat de godsdienst opgehouden heeft gevaarlijk te zijn. Het gaat er maar om met welk godsdienstig verschijnsel men te maken heeft. In de tweede plaats en daar heb ik U bij de inleiding al op ge­wezen, hebben we een sterke herleving van het magisch denken, e.o.a. van bijv. astrologie. Het lijkt, alsof U sprekende over die astrologie eigenlijk te maken hebt met een soort typisch tijdverdrijf, wat U niet serieus moet nemen. Toch zit er in die astrologie iets wat algemeen toch valt onder de categorie van de godsdienstigheid. Sterren zijn aanbeden als goden. Die goden beheersen ons lot en de vraag of dit waar is, wordt nauwelijks be­antwoord. Ik denk dat U zich wel kunt indenken dat buiten-aardse materiële machten invloed kunnen hebben op het weer, op eb en vloed, dat weten we, dat komt door de maan, of storm of iets  dergelijks. Dat ze invloed zouden hebben op het karakter en op de handelingen van de mensen, dat is natuurlijk heel moeilijk te verstaan, omdat we weten dat wat in het menselijk leven een rol speelt is enerzijds een karakter dat ten dele geërfd is. Er zijn in ieder geval geërfde elementen, die weer vervormd worden door verschillen in opvoeding, in milieu, ervaringen enz., maar toch ook weer door iets dat de mens geheel eigen heeft. Wanneer we zou­den afgaan op de geboorte-datum van de mensen en U vergelijkt ze, dan is het soms uitermate moeilijk om harmonie te vinden in karak­ters en gebeurtenissen bij mensen die op de zelfde tijd geboren zijn. Nu kan men natuurlijk altijd zeggen dat je nooit precies weet wanneer ze geboren zijn, dat er altijd wel een verschil van een paar minuten of een paar seconden bestaat. Maar neemt U eens één-eiïge tweelingen. Daarvan weet je dan toch in elk geval dat de conceptie op het zelfde moment heeft plaats gevonden, dat moet dan het kardinale element zijn. Ik geloof dat U met mij de erva­ring hebt van één-eiïge tweelingen die wel degelijk in karakter verschillen maar die bovendien een zéér verschillende- levensloop hebben, de keuze die ze maken in hun bestaan enz. Dan komt dat helemaal op losse schroeven te staan. Daar komt nog iets anders hij, namelijk dat onze levensloop uitermate bepaald wordt door de maatschappelijke verhoudingen. Iemand die groot-gebracht wordt in een feodale maatschappij beleeft natuurlijk heel ande­re dingen dan iemand in een burgerlijke democratie. Iemand die in de Sovjet Unie of in China opgroeit zal een heel andere le­vensloop hebben dan wij. 

 

De collectieve ervaringen zijn in ons leven uitermate belangrijk, die stellen eigenlijk de voorwaar­den vast waaronder wij leven. Nog een opmerking: op een gegeven ogenblik blijken door die collectieve ervaringen allerlei horos­copen volkomen waardeloos te zijn en het gesternte waaronder je geboren bent blijkt ook van geen enkel belang meer te zijn, want je deelt het lot van duizenden of miljoenen. Dat kan bijv. zijn bij een overstroming of bij een andere natuurramp. Bij een hongersnood of neem maar een oorlog. Dan ziet U dat plotseling duizenden en duizenden één collectief lot ondergaan. Wat bijv. ook al het geval is bij een vliegtuigramp. Er zijn dus heel veel redenen om te twijfelen aan de bepalende functie van de sterren. Waar het op aankomt is: waarom zijn de mensen zo zeer geneigd om hieraan te geloven? Ik denk dat toch voor veel men­sen het levenslot zó zeer in handen ligt niet van henzelf maar van anderen, dat ze daar iets over willen weten en dat ze toch het gevoel willen hebben dat er machten zijn die hun leven lei­den en tot twee-erlei conclusie kunnen leiden. In de eerste plaats dat je hoopt dat het goed zal gaan, dat dus de sterren of de goden ons leven ten goede zullen leiden, dat is dan een vertroosting, of in ieder geval een hoop. Het andere is dat als het slecht gaat, je de verantwoordelijkheid van jezelf kunt af­schuiven, je kunt er niets aan doen, het zijn de goden die het gedaan hebben. Je hoeft de maatschappij de schuld niet te geven, daar ben je zelf een deel van, daar hoor je bij. Je kunt dus eenvoudig zeggen: er zijn machten hoger dan ik ben en die heb­ben dat over mij bepaald. U krijgt  dan precies hetzelfde als bij de godsdienst, namelijk: er valt geen musje van het dak zonder gods wil, en alles wat er gebeurt daar kan ik mij voor troosten. Er is een neiging bij de mens tot fatalisme, alléén wanneer het slecht gaat. Dat idee van: ja god Ik kan er toch niets aan doen, mijn leven is in gods hand of mijn leven is beschreven in de sterren. Dat is één punt. Het andere, dat heeft de astrologie ook met de godsdienst gemeen namelijk, zoals je de goden kunt proberen te verbidden en ze kunt smeken om iets te veranderen, het goed met je te maken, zo kun je de  sterren ook wel vóór zijn of je kunt ze corrigeren. Ik heb eens deel genomen aan een discussie in Zienswijze (Jack van Belle) voor de televisie. Er gingen toen een hele hoop wonderdoeners aan mij vooraf maar die zeiden merk­waardiger wijze: als je nu je horoscoop laat maken, dan weet je ongeveer wat je boven het hoofd hangt en dan kun je het veran­deren als het slecht is. Verleden week vrijdag bij de V.P.R.O. was er iemand die ook van de astrologie uitging en die zei pre­cies ditzelfde, nl.: je bent gewaarschuwd. Let U wel, dan is de macht van de sterren dus uitermate gering. De mens is machtiger dan de sterren. Dat heeft de astrologie met de godsdienst gemeen, omdat in feite de mens het hoogste wezen is, kan de mens proberen al die dingen te verhinderen, bijv. proberen te voorkomen dat hij ziek wordt, of voorkomen dat de bliksem in­slaat of dat hij verdrinkt of zo. Hij kan het gevaar ontwijken. Als iemand mij zou voorspeller dat ik zondagmiddag voor het sta­tion lopende zou worden dood gereden, en ik geloof daaraan, dan ben ik niet bij het station, dat is logisch. In deze gehele zienswijze, zowel van de godsdienst als wel van de astrologie, ligt toch altijd, de idee van: da mens heeft het zelf in zijn hand, al­léén wanneer hij er toch niet meer tegen op kan dàn geeft hij de schuld aan machten die sterker zijn dan hij, òf hij gaat smeken, bidden of verzoeken. Hij gaat geloven dat er toch wel gunstige machten voor hem houden zijn. In zoverre zou ik dus dit willen zeggen: de opleving van bewegingen als de evangelische omroep aan die rechterkant of de opleving van bewegingen als de astro­logie, zijn essentieel niet nieuw, zijn niet verschillend van de godsdienstigheid van voorheen. Slechts allerlei oude kerkelijke vormen verliezen hun kracht en betekenis. Men raakt daar een beetje afgestompt voor en zoekt op hetzelfde terrein nieu­we verschijningsvormen, nieuwe methoden. In wezen blijft de mens eigenlijk hetzelfde, namelijk: hij weet wel dat het collec­tieve lot en het individuele lot van hemzelf afhangt, maar niettemin is hij geneigd tot twee dingen, en ik herhaal het nog even: òf wel te wensen, te hopen dat andere machten in ons voor­deel zullen werken òf de schuld maar af te schuiven op deze an­deren. Ik geloof toch dat dit ook een ongewenste vorm is van vroomheid en als men dat misschien dan geen vroomheid wil noe­men, is het dat voor mij tòch.

 

Tenslotte is er een verschijnsel, en dat is ook pas weer aan­geduid door merkwaardigerwijze, het Handelsblad (van 22-2-'74) (Wij zijn dus wel actueel!) Daarin wordt nl. besproken een film die in Amerika een ontzaggelijke opgang maakt, de Exorcist, de duivelsbezweerder, de geestenbezweerder. Ik kan eigenlijk niets anders doen dan U wijzen op dit kenmerkende, namelijk een soort gespletenheid in de mens. Hij leeft aan de ene kant in de wereld zoals die is, houdt rekening met alle natuurlijke krach­ten, met menselijke krachten, met het geld, met de geneeskunde enz. Aan de andere kant is er de roman náást hem waarin hij leeft. En die roman is het oude - of nieuwe testament. Ik heb eens een dominee gekend, hij was ’t nog wel maar hij geloofde niet erg meer (zo waren en zijn er velen) die zei: nou ja, ik preek altijd maar en geef ze verhalen uit de bijbel, want dat is hun prentenboek. Dat was héél mooi gezegd want dat wilde zeggen, dat is hun roman. Buiten het gewone leven hebben ze dit, en dat speelt verder geen rol meer. Vandaar dat men zegt dat ze huichelaars zijn en dat ze helemaal niet leven naar dit geloof. Maar dat hoeft ook voor hen niet. Dit is die àndere wereld.

 

Men heeft wel eens gesproken van paranoia (bepaalde vorm van krankzinnigheid gepaard met waandenkbeelden). Freud zegt dat de godsdienst een vorm is van collectieve paranoia en schizofrenie, wat nog veel erger is natuurlijk; het volkomen leven in twee verschillende werelden. Van astrologie kun je precies hetzelf­de zeggen. Iemand die in astrologie gelooft zal in z‘n dagelijkse handelen niet afwijken van iemand anders. U kunt aan het handelen van de mensen, hun reacties, niet zien wat ze geloven.

 

Waar we te doen hebben met deze twee elementen daar kunt U zien dat het tweede leven beheerst wordt door wensen maar natuurlijk ook door angsten. Want uit angsten komen wensen voort, de ver­langens. Nu beantwoordt aan dit schema eigenlijk wat ik lees over die duivelsbezweerder. Hier wordt naar voren gebracht, iets ongeloofwaardigs natuurlijk, nl. dat de duivel bezit neemt van iemands lichaam. Maar niettemin die roman wordt beleefd of het helemaal echt is en de mensen worden er volkomen door bezeten.

 

Ik zal niet anders doen dan U uit dit artikel van Celia Betsky een paar dingen voor te lezen omdat ze toch helemaal passen in datgene wat ik U verteld heb over het geloof en de ongewenste vroomheid.

 

In de theaters vallen mensen flauw, er wordt gegild, gespuwd, men bestormt krijsend het witte doek. Verscheidene mensen heb­ben een hartaanval gekregen. Er is al één miskraam gemeld in de bioscoop. Tenslotte is er sinds de première van deze film grote vraag naar priesters die geesten willen bezweren. (Er is dus een vorm van collectieve besmetting). 

Het is het verhaal van een twaalfjarig meisje dat door de duivel bezeten is. Ik zie hoe een aardig meisje van twaalf veranderde in een gillend mon­ster, overdekt met striemen, etter en zweren (ik vond het wel knap werk van de make-up afdeling, zegt de recensent). Ze mastur­beerde met het kruisbeeld tussen haar benen. (Er wordt ook opge­merkt dat U hier met een soort religieuze pornografie te doen hebt, wat logisch is). Er komen allerlei sadistische elementen in voor, het steken met naalden in het lichaam bijv. De bood­schap van de film is tenslotte dat de duivel de mensen bedreigt en hij zichzelf als kwade geest in het menselijk bewustzijn jaagt of zelfs in het menselijk lichaam. Maar god is toch goed en god zegeviert.


Nu zegt degene die deze verhandeling heeft  geschreven dat de meeste mensen dit niet in de gaten hebben en denken dat het kwade zegeviert. Daar zit een belangrijk sadis­tisch element in deze film. Psychiaters en priesters krijgen al mensen bij zich die na het zien van deze film denken dat ze zelf ook bezeten zijn van de duivel. Een psychiater zei: in tijden van grote onzekerheid zoeken de mensen mystieke verklaringen in de orde van astrologie, hekserij en duivelse bezetenheid. Onze maatschappij telt veel gestoorde mensen en een film als de duivelsbezweerder zal als een besmettelijke ziekte om zich heen grijpen. Er wordt dan nog eens op gewezen hoe talloze religieuze secten bloeien (Amerika is één van de landen waar die secten al­tijd een goede voedingsbodem hebben gevonden) en er staat dan verder: 

 

religie is vaak het antwoord voor mensen die aan hun ei­gen identiteit twijfelen (die aan hun eigen zelfbewustzijn twij­felen) . Mensen die belangstelling krijgen voor het occultisme (boven-natuurlijke verschijnselen) en satanisme e.d. is op het ogenblik algemeen. Het doet U een beetje denken aan de Middel­eeuwen en allerlei andere perioden. Dan wordt de populariteit zelfs verklaard met een beroep op de invloed van drugs (marihu­ana, hasjisch enz.). Jonge mensen. (dit is een citaat uit "Newsweek") die vaak persoonlijk de bewustzijns-verruiming van mid­delen hebben ervaren die hallucinaties veroorzaken, aanvaarden de demonische bezetenheid uit deze film gemakkelijk. Men heeft op die manier dan weer iets nieuws om te griezelen, want men heeft daar behoefte aan. 

 

Ik herinner me uit een andere verhande­ling dat vooral in die kringen het sadisme sterk is. Iemand in de Verenigde Staten heeft eens uitgerekend (het hoeft niet spe­ciaal kenmerkend te zijn voor de V.S.) dat daar zó veel gevallen van sadistische moorden op.de televisie voorkwamen dat, aange­zien de kinderen reeds héél jong beginnen met televisie-kijken, iemand op z'n achttiende jaar 18.000  gevallen van sadistische moorden gezien had. Die getallen hoeft U niet te onthouden, daar gaat het niet om. Het gaat eenvoudig om de tendens die uit deze feiten spreekt. Degene die deze verhandeling heeft geschreven zegt tenslotte: de duivel is het besef van een héél volk dat het geloof in zichzélf en z'n mythen kwijt is, zijn gezicht heeft verloren in de ogen van de rest van de wereld. Het meisje dat bezeten is ontwaakt uit haar bezetenheid en herinnert zich dan niets meer van de nachtmerrie, maar Amerika zit midden in een collectieve nachtmerrie en gelooft niet meer in de Amerikaanse droom. De Amerikanen gaan naar deze film en bidden dat iets of iemand hen van de demonen zal bevrijden. Dit laatste is een al­gemene opmerking die we terzijde kunnen laten, maar het is wel zo dat in deze tijd (en er zijn veel meer van die tijden ge­weest) er zo'n enorme onzekerheid is. Zo’n groot ongeloof in de toekomst van de mens. Want de mens is tenslotte het hoogste we­zen. De twijfel aan de toekomst van de mens en de mensheid, de onzekerheid die om zich heen grijpt, het niet meer weten wat waar en niet waar is, het niet meer weten wat goed en niet goed is, dàt leidt tot: de grote verwarring bij de mensen en drijft hen er toe om te gaan geloven aan onwerkelijkheden, aan de macht van de duivel of aan die van god als tegenstellingen in de wereld. Men kan in de wereld die tegenstellingen duidelijk opmerken. U moet in deze categorie natuurlijk ook onderbrengen het geloof aan. de ondergang van de wereld. Het adventisme en de getuigen van jehova e.d.. Het geloof aan de ondergang van de wereld is het laatste redmiddel om van je wanhoop af te ko­men als je het echt serieus bekijkt. Je ziet eenvoudig voor de mensheid geen toekomst meer op aarde en je denkt: ja, wat moet er komen? Een grote kladderadatsch moet er komen. Wat er komen moet is de grote afrekening, een grote vernietiging. Zo iets als de zondvloed. Zoals onze lieve heer het ook   niet meer zo goed zag zitten en door middel van de zondvloed de zaak maar opruimde. Trouwens, op de eerste bladzijden van de bijbel zie je al dat god spijt had van het feit dat hij de  mens geschapen had, en daaruit blijkt het typisch menselijke karakter van de godsvoorstellingen. Inderdaad is het zo dat je geen mogelijkhe­den meer ziet, en wat hoop je dus? De hele zaak moet vernietigd worden om er van af te komen. Dan ben je ook van je eigen ellende af, van je eigen, moeilijkheden. Maar dan moet je wél hopen dat je hoort tot 144.000 uitverkorenen die dat allemaal zul­len overleven. Er zijn véél meer jehova’s getuigen dan genoemd aantal dus zaten ze daar wel erg mee. Nu hebben ze een tweede categorie bedacht. Naast de 144.000 die dan wel echt in de binnenste, hoogste hemel komen is er toch ook nog plaats voor enkele miljoenen, blijkbaar voor alle getuigen van jehova, die dan toch ook nog gered zullen worden uit deze vernietiging.

 

Zo kunt U zich voorstellen dat het geloof aan de ondergang van de wereld, dat de mensen zo benauwt en zulke grote onrust ver­wekt, dat dit geloof op zichzelf geruststellend is. Het ontheft je van een groot aantal leedgevoelens en van een heleboel on­lustgevoelens. De gedachten van: ik kan nu wel lijden, wel ver­driet hebben, wel piekeren, maar och, straks is het allemaal over, Soms in het jaar 1974,  maar dan gebeurt het niet, dan plak je er weer drie jaar aan, enz. Dat gebeurde tijdens de tweede wereldoorlog ook. In die tijd heb ik heel veel mensen gekend die telkens dachten over drie maanden zijn de Duitsers verslagen, en na die tijd waren ze nog niet verslagen, nou dan nam je er weer drie maanden bij. Zo is het dus ook met deze adventisten en getuigen van jehova. Hoewel  we wat hier gezegd wordt over de duivelsbezweerder, en ook over de V.S., nog problematisch kunnen achten omdat er natuurlijk in de hele geschiedenis dergelijke verschijnselen geweest zijn, moeten we wel opmerken dat inder­daad deze tijd een enorme spanning voor de mensen over de hele wereld met zich brengt. In de hele wereld is de economische en politieke situatie zó gespannen en ongeregeld, zó vol van tegen­stellingen dat U zich niet hoeft te verbazen over dit verschijn­sel. Ongewenst echter is het om eigenlijk te vluchten uit deze realiteit. Het is wel begrijpelijk, maar het is een ongewenste vroomheid om uit deze realiteit te vluchten, òf naar de evange­lische omroep, òf naar allerlei vormen van bijgeloof òf in het geloof aan de duivel. Te vluchten uit het sadisme of masochisme. Dit is een van de benauwende dingen, namelijk dat allerlei advertenties (bijv., ook de advertentie-pagina van Vrij Nederland) duidelijk wijzen op sadisme. Het is niet verontrustend dat echt­paren andere echtparen zoeken om hun liefdes-ervaringen te ver­rijken; vroeger gebeurde dat ook maar dan werd er geen adverten­tie geplaatst. Wat verontrustend is zijn de vele advertenties die duidelijk wijzen op sadisme en masochisme. Waarin gevraagd wordt om mensen, om partners die verwonden, die slaan of gesla­gen willen worden. Want dit is ongetwijfeld, al is het dan een lust-ervaring, een vorm van perversie. Zolang de moraal nl. be­rust op het feit dat de mens voor de mens het hoogste wezen is.

 

Zolang de moraal berust op identificatie van de mens met de medemens, zolang is het perversiteit (wanneer de één genieten wil door het leed van de ander). U kunt dan ook bij deze vormen van sexueel verkeer niet anders dan het hoofd schudden en U af­vragen of het vertrouwen in de toekomst van de mensheid en van de ethiek zó geschonden is dat men alleen nog maar lustgevoelens kan putten uit het tegendeel daarvan. Ik heb zelf wel eens ironisch gezegd dat een goed huwelijk dan nog wel een huwelijk zou kunnen zijn van een sadist met een masochist. De één heeft er plezier in om te slaan en de ander om geslagen te worden.

 

Dat bleek psychologisch niet juist te zijn omdat het blijkbaar zó is dat sadisme en masochisme in één persoon aanwezig zijn, als twee kanten van eenzelfde verschijnsel. Zo iets is natuur­lijk een boutade. In feite is het een ernstige aantasting van het ideaal van het samenleven van de mensen. 


Ik heb geprobeerd om U in deze causerie aan de hand van inder­daad actuele publicaties iets te zeggen over datgene dat ik dan toch verontrustend vind, wat ik dan toch vind verschijnselen van ongewenste vroomheid. Ik weet wel dat geloof en bijgeloof nooit geheel zijn uit te roeien, maar zal nog het meest vrede  hebben met bijv. het geloof aan een christus die een mens is.

 

U weet god is dood, maar uit de dood van god komt men dan tot christus. Wanneer men die christus dan voorstelt als een lijden­de mens dan heb ik daar ongetwijfeld wel vrede mee. Evengoed als wanneer men zegt god is liefde, want we weten nu wel wat god is. God is de wens en het wezen van de mens, en dan zegt men dus eigenlijk: wij zouden wensen dat de liefde almachtig zou zijn. Dat is de juiste omschrijving. Dat is voor mij dus niet een schadelijke vroomheid. De vele priesters en predikan­ten die op het ogenblik staan aan de zijde van de armen en aan de kant der verdrukten, zij hebben dan wel een aparte chris­telijke taal, maar in feite is die taal niet anders dan een vormgeving voor ethische en menselijke gevoelens, zijn voor mij niet schadelijk. Niettemin, wanneer we dat toch niet kunnen, wanneer we het zó niet kunnen inkleden, dan zijn we in feite atheïsten geworden, d.w.z. dat we geen enkele godsvoor­stelling kunnen aanvaarden, die ons door de kerk of door gods­diensten gegeven wordt. U weet dat de meeste atheïsten tegelij­kertijd agnosten zijn. D.w.z. ze beweren helemaal niet dat ze wezen van de werkelijkheid zouden kennen. Ze zeggen niet dat ze in het bezit zijn van de waarheid. Integendeel, ze zullen veel­eer zeggen dat wij die werkelijkheid alleen maar kennen zoals die aan ons mensen verschijnt en dat we van die werkelijkheid iets beters, iets menselijkers moeten maken. Atheïsme wil dus helemaal niet zo iets zeggen als van in het bezit zijn van de waarheid, alsof er één waarheid zou zijn, maar betekent wèl het afwijzen van de gods-voorstellingen van de godsdienstigen, En dan vind ik altijd indrukwekkend datgene dat iemand als Ludwig Feuerbach, wiens naam ik U al genoemd heb, wat hij over dit verschijnsel heeft geschreven. 


Ik wil dan eindigen met U een stukje voor te lezen, soms is het een béétje duister maar daar komt U wel doorheen, over dit niet geloven aan die goden. Hij zegt:

wanneer het atheïsme niet an­ders zou zijn dan een ontkenning, een slechts loochenen zonder inhoud, dan zou het zeker niet deugen voor het volk (d.w.z. niet voor de mensen en niet voor het openbare leven). Maar het ware atheïsme, het niet lichtschuwe is tegelijk aanvaarding.

Het ontkent het wezen, het fantastische wezen dat aan de mens onttrokken is (de goden zijn wensen en wezen van de mens) en dat door de verbeeldingskracht zelfstandig is gemaakt en dat dan god genoemd wordt. Bij de ontkenning van dit wezen gods wil het in zijn plaats het werkelijke wezen van de mens plaatsen. Het theïsme, het godsgeloof, is in waarheid ontkennend. Het ontkent de functie van de natuur, van de wereld en van de mensheid.

Voor god is wereld en mens niets. Hij kan ook zonder hen zijn.


Aan dit fantasie-wezen offert het theïsme (het godsgeloof dus) het werkelijke wezen en het werkelijke leven op. Het atheïsme daarentegen offert het fantasiewezen om in plaats daarvan het werkelijke leven en het wezen van de mens te plaatsen. Het is dus positief en aanvaardend. Het geeft aan de natuur en de mensheid de betekenis terug en de waarde die het godsgeloof er aan had ontnomen. Dit atheïsme bezielt de natuur en de mens­heid waaraan het theïsme de beste krachten ontnomen had.

 

En het is in dit verband dat Feuerbach zegt dat het atheïsme de mens leert om te strijden voor het realiseren van het hoogste ideaal, namelijk de vrije en bewuste burgers der aarde te worden. 


Ik dank U wel.

 

In de zaal van het Humanistisch Centrum, Laan Copes van Cattenburch 72 houdt De Vrije Gedachte de volgende bijeenkomsten…

 

Toelichting:

Ik heb de lezing vanaf een vergeeld stencil gescand en met OCR gedigitaliseerd.

Er is in tien uur werk geweest veel te corrigeren, vage druk en typefouten e.a. maar Constandse's schrijfstijl en spelling heb ik beslist ongewijzigd gelaten, het is immers een tijdsdocument.

Enige alinea-indeling heb ik zelf aangebracht omdat de stenciller daarvan geen notie heeft gehad.

Van de Vrijdenkers-Vereniging te Amsterdam was ik lid en bestuurslid van 1970-1974.

 

Jos Heitmann

AMSTERDAM  

e-mail: